Hof ‘s-Hertogenbosch oordeelde op 29 april 2026 (ECLI:NL:GHSHE:2026:1128) dat de vrijstelling niet van toepassing is. Het hof gaf daarvoor twee redenen.
Geen verplichting van de vader. De vrouw stelde dat op haar overleden partner een dringende morele verplichting rustte om in haar levensonderhoud te voorzien. Maar het hof vond dat onvoldoende aannemelijk. Er was weliswaar een handgeschreven, niet-ondertekend stuk van de man, maar daaruit bleek niet dat hij zelf uitvoering had gegeven aan zo’n verplichting of zijn zoons daartoe had aangezet. Bovendien gold het stuk niet als een geldig testament. Een relatie van anderhalf jaar was ook te kort om een dringende morele verplichting te onderbouwen.
Geen verplichting van de zoons zelf. Het hof keek vervolgens of de zoons zelf een morele verplichting hadden jegens de vrouw. Dat was evenmin het geval. Dat de zoons in de vaststellingsovereenkomst schreven dat zij een dringende morele verplichting ervoeren, is niet genoeg. De rechter beoordeelt dit objectief, aan de hand van wat in de samenleving als redelijk en billijk wordt beschouwd. Er was geen bijzondere band tussen de vrouw en de zoons, de vader had zijn zoons er niet toe aangezet en de vrouw gaf zelf aan dat zij, gelet op haar leeftijd, niet als stiefmoeder kon worden gezien. De schenkingen waren daarmee gewoon belast.