“…Doet u waar u goed in bent en laat de rest aan ons over…”
Hoe zat dat ook alweer? Als u als ondernemer privé gebruiktmaakt van zakelijke bedrijfsmiddelen die geheel of gedeeltelijk tot uw ondernemingsvermogen behoren, zoals uw laptop, dan moet u daar fiscaal ook rekening mee houden. Ook uit de bedrijfskosten, zoals die van uw adviseur moet u het privégedeelte elimineren. Het deel dat betrekking heeft op uw privézaken, zoals privéadvisering is niet aftrekbaar. Dat geldt ook voor de btw over dat deel. Maar hoe gaat het nu in zijn werk met bedrijfsmiddelen?
Gebruik schatten? Gebruikt u zakelijke bedrijfsmiddelen privé die geheel tot uw bedrijfsvermogen behoren? Dan moet u aan het einde van het jaar een correctie maken voor het privégebruik. Met redelijke schattingen kunt u al een hoop fiscaal gedoe voorkomen. Let op. Ook voor onderhoudskosten van het bedrijfsmiddel moet u een privécorrectie toepassen, zowel op de kosten als op de btw.
Als u bijvoorbeeld een laptop van de zaak 10 uur per dag gebruikt, waarvan 2 uur privé, dan is het privégebruik 20%. U heeft op 1 januari 2016 zakelijk een laptop aangeschaft van € 2.000,- exclusief € 420,- btw. Het privégebruik is 20%. U mag dan 80% van € 2.000,- = € 1.600,- activeren en over 5 jaar afschrijven (= € 320,- per jaar).
En wat met de btw? Dan is het van belang of u het bedrijfsmiddel volledig of gedeeltelijk als ondernemingsvermogen aanmerkt.
U trekt de btw bij aanschaf in zijn geheel af. De aanschafkosten van de laptop verdeelt u in 5 gelijke delen: € 2.000,- / 5 = € 400,-. Het eerste deel voor het jaar waarin u de laptop in gebruik heeft genomen en de overige vier delen voor de daaropvolgende jaren. Het privégebruik is 20%: dus € 400,- x 20% = € 80,-. Over dit bedrag moet u vervolgens vijf jaar: € 16,80 (21% x € 80,-) aan btw betalen. Dit bedrag geeft u aan in uw btw-aangifte over het laatste aangiftetijdvak van het jaar bij privégebruik, rubriek 1 ‘prestaties binnenland’ .
Andere privécorrecties? Andere privécorrecties kunnen spelen bij een auto van de zaak, privé wonen in een bedrijfspand en energielasten.
Vertrouwen is goed, controle is beter. Ieder jaar komt het kabinet weer met wijzigingen op fiscaal gebied. Die kunnen ook gevolgen hebben voor uw voorlopige aanslag (hierna ‘VA’) inkomstenbelasting. Gelukkig heeft men al rekening gehouden met alle wijzigingen en is uw VA dus up-to-date. Dat neemt niet weg dat deze toch nog fors kan afwijken van de door u verschuldigde belasting. U moet dan achteraf bijbetalen of u krijgt een bedrag terug. Hoe kan dat en wat is er aan te doen?
De Belastingdienst baseert uw VA op gegevens uit uw verleden. Die kunnen echter afwijken van uw huidige situatie. Voor ondernemers kan dit veroorzaakt worden door een winst die afwijkt van voorgaande jaren. Bijvoorbeeld omdat u dit jaar fors meer investeert of omdat uw naaste concurrent het bijltje erbij neergooit.
Let op. Verwacht u dit jaar meer of minder winst, dan is het verstandig uw voorlopige aanslag bij te stellen.
Auto van de zaak? Houd bij de winstbepaling ook rekening met de bijtelling voor de auto van de zaak. Koopt u een nieuwe auto, dan wijzigt waarschijnlijk de bijtelling. En ook als uw auto van de zaak in 2017 vijf jaar oud wordt, kan de bijtelling afhankelijk van de omstandigheden wijzigen.
Wijziging persoonlijke situatie? Ook in uw persoonlijke situatie kan verandering komen, bijvoorbeeld omdat u gaat scheiden of samenwonen. U kunt dan elkaars partner worden of juist niet langer meer elkaars partner zijn, wat bijvoorbeeld gevolgen heeft voor de aftrek van hypotheekrente, giften of zorgkosten.
Aftrek hypotheekrente? Eén van de belangrijkste aftrekposten is nog steeds de hypotheekrenteaftrek. Wijzigt dit jaar de aftrek, pas uw voorlopige aanslag dan aan. Dit kan bijvoorbeeld omdat u verhuist naar een koopwoning of naar een duurdere of goedkopere woning, of omdat u uw hypotheek opnieuw afsluit, waarschijnlijk tegen een lager rentepercentage dan destijds.
Overige aftrekposten? Het kan best zijn dat u in 2017 meer aftrekposten gaat krijgen dan voorheen. Bijvoorbeeld omdat u uw gebit laat reviseren en u dus meer zorgkosten gaat krijgen, omdat u meer giftenaftrek heeft, een lijfrente aanschaft, of meer of juist minder alimentatie gaat betalen.
Heffing box 3 per 2017 gewijzigd. Grotere vermogens betalen voortaan meer belasting. De fiscus heeft dit al verwerkt in uw voorlopige aanslag, maar wellicht speelt u hierop in door bijvoorbeeld uw hypotheek (deels) af te lossen of gebruik te maken van de schenkingsvrijstelling ten behoeve van de eigen woning. Een wijziging van uw vermogen werkt uiteraard ook door in box 3 en dus in het bedrag aan te betalen belasting.
Weet u nu al dat uw VA te hoog of te laag uit gaat vallen? U kunt wachten tot de aanslag in de bus valt en deze dan wijzigen, maar u kunt ook nu al de juiste gegevens doorgeven en er zo voor zorgen dat uw VA zo goed mogelijk aansluit op het bedrag dat u straks moet betalen. Ga daarvoor naar de site van de Belastingdienst, klik op ‘Voorlopige aanslag 2017’ en volg de instructies.
Inkomens- en vermogensafhankelijk. De zorgverzekeringspremie is voor veel mensen een grote kostenpost. Het is daarom mogelijk om als tegemoetkoming voor de zorgverzekeringspremie zorgtoeslag aan te vragen. De zorgtoeslag is afhankelijk van uw inkomen en uw vermogen.
Toeslagpartner. Bovendien telt ook het inkomen en het vermogen van uw eventuele (toeslag)partner mee. Als u bent getrouwd of een geregistreerde partner heeft, heeft u altijd een toeslagpartner. Voor ongehuwd samenwonenden is dit onder meer het geval als er sprake is van een samenlevingscontract, als u samen kinderen heeft of als u samenwoont in een eigen woning.
Heeft u geen toeslagpartner, dan mag uw inkomen niet hoger zijn dan € 27.857,- per jaar. Als u wel een toeslagpartner heeft, dan mag uw gezamenlijke inkomen niet hoger zijn dan € 35.116,- per jaar. Let op. Veranderingen van het (gezamenlijk) inkomen in de loop van het jaar kunnen ervoor zorgen dat er in de loop van het jaar alsnog recht op zorgtoeslag ontstaat of dit recht juist eindigt.
Heeft u geen toeslagpartner, dan mag u maximaal € 107.752,- (2017) aan vermogen hebben. Als u wel een toeslagpartner heeft, dan mag het gezamenlijk vermogen maximaal € 132.752,- bedragen.
Peildatum. De peildatum is 1 januari van het betreffende jaar waarover u toeslag aanvraagt. Zakt uw vermogen in de loop van het jaar onder de grens, dan ontstaat daardoor niet alsnog recht op zorgtoeslag. Hierdoor kan er uiteraard wel (opnieuw) recht op zorgtoeslag ontstaan in het daaropvolgende jaar. Anderzijds verliest u niet het recht op zorgtoeslag als uw vermogen in de loop van het jaar boven de grens uitkomt.
Nationaliteit. Om in aanmerking te komen voor zorgtoeslag moet u 18 jaar of ouder zijn en moet u de Nederlandse nationaliteit hebben of beschikken over een geldige verblijfsvergunning. Woont u in Nederland en heeft u de nationaliteit van een EU-land, Liechtenstein, Noorwegen, IJsland of Zwitserland, dan kunt u ook in aanmerking komen voor zorgtoeslag.
Nederlandse zorgverzekering. U moet een Nederlandse zorgverzekering hebben en daarvoor ook daadwerkelijk premie betalen.
Met DigiD. U moet de zorgtoeslag zelf digitaal aanvragen via http://www.toeslagen.nlTip. Als u dat wilt, kunt u eerst een proefberekening maken.
Voor 1 september. De aanvraag voor de zorgtoeslag kunt u doen tot 1 september van het jaar volgend op een berekeningsjaar. Dit betekent dat u tot 1 september 2017 nog zorgtoeslag over 2016 kunt aanvragen. Tip. Als u uitstel heeft voor het indienen van de aangifte inkomstenbelasting, dan werkt dit uitstel door naar de aanvraagtermijn.
Winst 2016. Als uw inkomen 2016 iets boven de inkomensgrens ligt, is het wellicht mogelijk om uw winst over 2016 wat bij te sturen. Bijv. door het doteren aan een (oudedags)reserve of voorziening of door het toepassen van willekeurige afschrijving.
Voor 2017 bedraagt de algemene heffingskorting € 2.254,-. Tot een inkomen ‘uit werk en woning’ in box 1 van € 19.982,- heeft u recht op dit bedrag, dat u van de verschuldigde belasting mag aftrekken. Is uw box 1-inkomen hoger, dan neemt de algemene heffingskorting langzaam af tot nul.
Wat bij te weinig inkomen? Stel nu dat uw echtgenoot of partner minder belasting betaalt dan de algemene heffingskorting, dan gaat zijn algemene heffingskorting geheel of deels verloren omdat er niets te verrekenen valt. Tenzij u voldoende belasting betaalt … Hoe zit dat?
Verrekend bij partner. Als u wél voldoende belasting betaalt, dan krijgt uw partner zijn algemene heffingskorting toch gewoon uitbetaald.
Geboren na 1962? Is uw partner echter ná 1962 geboren en heeft hij weinig of geen inkomen, dan krijgt hij maximaal slechts 40%, oftewel: € 902,- van zijn heffingskorting uitbetaald. Per saldo gaat er dan dus maximaal € 2.254,- -/- € 902,- = € 1.352,- van de algemene heffingskorting van uw partner verloren. Zonde van het geld! En dus tijd om ervoor te zorgen dat u in die gevallen, al dan niet met kunst- en vliegwerk, zorgt voor voldoende belastbaar inkomen voor uw partner om de hele algemene heffingskorting te kunnen verrekenen.
Inkomen uit sparen en beleggen is belast in box 3. Sinds dit jaar betaalt u hierover een percentage aan belasting, afhankelijk van de hoogte van uw vermogen. Dreigt de algemene heffingskorting van uw partner geheel of deels verloren te gaan, dan is het raadzaam het vermogen in box 3 geheel of deels aan uw partner toe te rekenen. Zodoende ontstaat er namelijk een mogelijkheid de algemene heffingskorting toch te incasseren. Per saldo betaalt u dan minder of in het gunstigste geval helemaal geen belasting over uw vermogen.
Meewerkaftrek. Werkt uw partner mee in uw bedrijf, dan heeft het voor het verrekenen van de algemene heffingskorting geen zin als u kiest voor de meewerkaftrek. Uw partner wordt hier namelijk niet zelfstandig voor belast en dus kan hij dan de heffingskorting nog steeds niet verrekenen.
Arbeidsbeloning. Als uw partner een arbeidsbeloning ontvangt, dan is het van belang dat deze minstens € 5.000,- op jaarbasis bedraagt. Lagere vergoedingen zijn namelijk niet aftrekbaar van de winst en bij uw partner niet belast, zodat deze ook dan niet leiden tot verrekening van de algemene heffingskorting. Van belang is ook dat de arbeidsbeloning reëel is, dus wat u ongeveer ook aan een derde zou betalen.
Vennootschap onder firma. U kunt er ook voor kiezen een vennootschap onder firma aan te gaan met uw partner. De algemene heffingskorting kan uw partner dan verrekenen met de belasting die hij betaalt over zijn deel van de winst. Ook deze toedeling moet reëel zijn.
Let op. Extra inkomen voor uw echtgenoot/partner kan ook gevolgen hebben voor eventuele zorg-, huur- en/of kinderopvangtoeslag en voor de studiefinanciering van studerende kinderen.
De BV wordt vaak aangegaan vanwege fiscale motieven. Belangrijk is dat de winst in de inkomstenbelasting jaarlijks volledig in de belastingheffing wordt betrokken, terwijl dat in de BV in twee etappes gaat. Jaarlijks bij de BV zelf via de vennootschapsbelasting (Vpb) en op het moment van uitkeren van de winst aan de DGA, bij hem via de inkomstenbelasting (IB). Een groot voordeel hiervan is dat winst die niet direct consumptief nodig is, onbelast opgepot kan worden in de BV.
Geen MKB-winstvrijstelling! Een nadeel is dat u in de BV geen MKB-winstvrijstelling geniet en als IB-ondernemer wel. De vrijstelling bedraagt 14%, zodat van alle winst slechts 84% belast wordt. Zelfs bij het maximumtarief van 52% betaalt u dus effectief ‘maar’ 43,68% aan belasting.
Heeft u een BV, dan bedraagt het Vpb-tarief tot een winst van € 200.000,- 20%. Over het meerdere betaalt u 25%. Keert u de winst aan uzelf uit als DGA, dan betaalt u nogmaals 25% over de uitgekeerde winst. Per saldo komt dit neer op een totaaltarief van 40% over de eerste € 200.000,- aan winst en 43,75% over het meerdere. Vrijwel gelijk dus aan het toptarief voor de IB-ondernemer.
Tip. Een belangrijke ontwikkeling in het voordeel van BV’s is dat vanaf 2018 de tariefschijf van 20% wordt verlengd naar € 250.000,- tot uiteindelijk € 350.000,- in 2021.
Gebruikelijk loon. In de BV kunt u helaas niet álle winst onbelast oppotten. Jaarlijks dient u minstens een zogenaamd ‘gebruikelijk loon’ op te nemen. In 2017 bedraagt dat ten minste € 45.000,- (€ 1.000,- meer ten opzichte van 2016). Over dit gebruikelijk loon geniet u dus geen tariefsvoordeel, want dit wordt net als de winst van de IB-ondernemer progressief belast in box 1.
Bent u DGA van een innovatieve BV, dan hoeft u vanaf 2017 slechts het minimumloon als gebruikelijk loon uit de BV te halen. Het voordeel hiervan is dat u als DGA van een start-up meer winst onbelast in de BV kunt oppotten. Daarvoor is vereist dat u recht heeft op de WBSO voor starters.
Een toekomstig nadeel voor BV’s is dat de pensioenopbouw in eigen beheer komt te vervallen. Het was de bedoeling dit al per 2017 wettelijk te regelen, maar het is op het nippertje uitgesteld. Naar verwachting wordt de maatregel toch met terugwerkende kracht tot 1 januari 2017 ingevoerd. Daarentegen kunt u als IB-ondernemer nog steeds een oudedagsreserve opbouwen, waardoor er jaarlijks 9,8% van de winst onbelast kan worden opgepot met een maximum van € 8.946,- in 2017.
Uit het bovenstaande blijkt dat de vraag of overstappen op een BV voordelig is, van vele factoren afhangt. De BV is in 2017 in het algemeen wel minder aantrekkelijk dan in 2016. Duidelijk is dat pas bij een flinke overwinst, oftewel: een winst die u niet consumptief direct nodig heeft, de overstap interessant wordt vanwege het lagere tarief. Dit is met name zo als uw BV vanaf 2018 over een groter deel van de winst slechts 20% belasting betaalt.
Afschaffing VAR en onrust. Nadat de VAR was afgeschaft, ontstond er veel onzekerheid bij de opdrachtgevers van zzp’ers. Stel dat bij een controle de Belastingdienst zich op het standpunt stelt dat er sprake is of was van een dienstbetrekking, dan kunnen er forse aanslagen volgen. De maatschappelijke en politieke tegenwind werd zo sterk dat nu zwart-op-wit aan zzp’ers is toegezegd dat er tot 1 januari 2018 niet door de Belastingdienst ingegrepen gaat worden. De Belastingdienst heeft een brief verzonden naar alle zzp’ers die voorheen over een VAR beschikten. Maar ook anderen (opdrachtgevers en opdrachtnemers) kunnen zich beroepen op het beleid en de standpunten die in de brief zijn vastgelegd.
Voorleggen aan de Belastingdienst? Natuurlijk mag u wel werken volgens de gepubliceerde modelovereenkomsten. De wetgever studeert nu op aanpassing van de arbeidswetgeving. In de brief van de Belastingdienst staat dat zolang dat onderzoek loopt, het niet nodig is om overeenkomsten van opdrachtgevers en opdrachtnemers aan de Belastingdienst voor te leggen. Als u het wilt, is de Belastingdienst wel bereid om een overeenkomst te beoordelen. Maar dat gebeurt dan aan de hand van de huidige wetgeving. Omdat die wetgeving misschien aangepast wordt, is de Belastingdienst erg terughoudend bij de beoordelingen. Het voorleggen van nieuwe overeenkomsten is daarom niet zinvol.
Verlies aan verdiencapaciteit. In het wetsvoorstel is de grondslag niet langer ‘het handhaven van de welstand van tijdens het huwelijk’, maar ‘het tijdens het huwelijk ontstane verlies aan verdiencapaciteit’. Volgens het wetsvoorstel moet er sprake zijn van verlies van verdiencapaciteit van een van de partners door een achterstand op de arbeidsmarkt die is veroorzaakt door de keuzes die partijen tijdens het huwelijk hebben gemaakt. Met andere woorden: de partner die geen of minder tijd aan de carrière heeft besteed door bijvoorbeeld de zorg van de kinderen op zich te nemen, wordt hiervoor gecompenseerd. Het uitgangspunt is de terugkeer naar de arbeidsmarkt van de alimentatiegerechtigde, zodat deze in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien.
Huidige regeling. Op dit moment is de maximale duur voor partneralimentatie 12 jaar. Bij een huwelijk korter dan 5 jaar waaruit geen kinderen zijn geboren, is de duur van de partneralimentatie gelijk aan de duur van het huwelijk.
Voorgestelde regeling. Volgens het wetsvoorstel is er geen alimentatieverplichting bij huwelijken zonder kinderen die korter dan 3 jaar geduurd hebben. Bij huwelijken die langer hebben geduurd dan 3 jaar, zal de alimentatieverplichting gelden voor de duur van de helft van het huwelijk met een maximum van (in beginsel) 5 jaar.
Uitzonderingen. Bij huwelijken met kinderen waarvan het jongste kind jonger is dan 12 jaar, gaat er een uitzondering gelden. De partneralimentatieplicht loopt dan tot het jongste kind 12 jaar is. Een uitzondering gaat ook gelden als een van de partners de pensioengerechtigde leeftijd nadert. Als de alimentatiegerechtigde 10 jaar of minder verwijderd is van de pensioengerechtigde leeftijd, eindigt het recht op alimentatie bij het bereiken van deze leeftijd. De alimentatieplicht eindigt echter eerder als de alimentatieplichtige de pensioengerechtigde leeftijd bereikt.
Huidige regeling. De alimentatieplicht eindigt volgens het huidige recht van rechtswege op het moment dat de alimentatiegerechtigde trouwt, een geregistreerd partnerschap aangaat of gaat samenleven met een ander als waren zij getrouwd of geregistreerd partner.
Voorgestelde regeling. In het wetsvoorstel speelt het hebben van een nieuwe partner geen rol meer vanwege de nieuwe grondslag voor de partneralimentatie.
Hoe pakt de regeling uit voor bestaande gevallen? Als het wetsvoorstel in werking treedt, blijft volgens het overgangsrecht het huidige recht gelden voor de reeds bestaande alimentatieverplichtingen, alsmede voor de gevallen waarbij het verzoek tot vaststelling dan wel wijziging van een uitkering tot levensonderhoud is ingediend vóór het inwerking treden van deze wet. Tip. Cru geformuleerd zou iemand die waarschijnlijk alimentatie moet gaan ontvangen, er verstandig aan doen het verzoek tot vaststelling van alimentatie zo snel mogelijk in te dienen. Het tegenovergestelde geldt voor degene die moet gaan betalen.
Ondernemersvoordelen. Het ondernemerschap wordt fiscaal beloond. Voor de meeste belastingvoordelen is wel vereist dat u voldoet aan het ‘urencriterium’. Besteedt u onvoldoende tijd (uren) aan uw onderneming, dan heeft u geen recht op: zelfstandigenaftrek (€ 7.280,-), aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk (2016: € 12.484,-), meewerkaftrek en op onbelaste toevoegingen aan de oudedagsreserve.
Urencriterium. Het urencriterium houdt in dat u als ondernemer:
Belastingcontrole. De Belastingdienst vraagt in twijfelgevallen vaak om “een gespecificeerd overzicht van de werkzaamheden in de onderneming en van de tijd die daar aan is besteed”. Wanneer moet u er rekening mee houden dat die vraag aan u gesteld wordt? Dat ligt voor de hand. Wanneer u maar weinig winst of weinig omzet heeft behaald, is minder snel aannemelijk dat u daar veel tijd aan heeft besteed. Dat geldt ook als u naast uw onderneming andere werkzaamheden verricht.
De tool ‘E-urenregistratie 2016-2020’ voor het handig bijhouden van een urenregistratie kunt u bij ons opvragen.
Bewijs. Besef dat u als ondernemer moet bewijzen dat u voldoet aan dat ‘urencriterium’. Dat gaat vaak fout als u de schijn al tegen u heeft (door bijvoorbeeld een bijbaan). Recentelijk bleek dat weer eens bij het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 30.12.2016 (GHSHE:2016:4308) . Iemand had een baan voor 36 uur per week en werkte daarnaast als ondernemer. Zowel de inspecteur als de rechter hechtten weinig geloof aan een globaal urenoverzicht met een opsomming van hoofdtaken. De rechter vond het overzicht ‘te globaal en oncontroleerbaar’. Met een goede urenregistratie, die aansluit op bijvoorbeeld een agenda, is dit te voorkomen.
Credit. Een creditfactuur of creditnota is een factuur waarbij de ondernemer die leveringen of diensten verricht, achteraf een vermindering van de vergoeding verleent. Let op. Tegenover een creditnota hoort dus altijd een eerder uitgereikte (debet)factuur te staan en deze heeft te maken met leveringen of diensten die door de opsteller van de factuur worden verricht.
Redenen voor het opstellen van een creditfactuur zijn bijvoorbeeld:
Let op. Als afnemer moet u gecrediteerde btw in uw btw-aangifte aftrekken op uw aftrekbare btw.
Self-billing? Als de afnemer van de prestatie de factuur opstelt, is er geen sprake van een creditnota, ook al betaalt de opsteller van de factuur geld aan de ontvanger.
Correctie of aanvulling? Als u een aanvulling of correctie op uw oorspronkelijke factuur wilt maken, dan kan dat door middel van een aanvullende factuur. Deze kan leiden tot meer (debetfactuur) of minder te betalen (creditfactuur) door uw afnemer, of een wijziging van de inhoud zonder dat het te betalen bedrag verandert. Daarbij is het belangrijk om te weten dat deze aanvulling of correctie ook als factuur wordt aangemerkt.
Terugname? Als u de oorspronkelijke factuur terugneemt, komt de aanvullende factuur in de plaats van de oorspronkelijke factuur. Die moet dan ook aan alle factuureisen voldoen.
Creditnota? Als u de originele factuur niet terugvraagt, wordt uw creditnota (als aanvulling) samen met de oorspronkelijke factuur als één factuur aangemerkt. Op de creditnota moet staan:
Tip. Niet verplicht, maar wel aan te raden, is het om duidelijk te vermelden als uw afnemer geld van u tegoed heeft, door bijvoorbeeld ‘creditfactuur’ bovenaan de factuur te vermelden.
Een digitale factuur moet dezelfde vermeldingen bevatten als een papieren factuur en uw afnemer moet akkoord zijn met elektronische facturen. Daarnaast moet u ervoor zorgen (kunnen bewijzen) dat de facturen daadwerkelijk verzonden worden, van u afkomstig zijn en dat de ontvanger de inhoud niet zomaar kan wijzigen. Stuur dus geen factuur als Excel- of Word-bestand.
Dit mag niet! Als een afnemer niet betaalt, moet u (als u geen kasstelsel mag toepassen) wel de btw afdragen aan de Belastingdienst. Met een ‘interne’ creditnota (die u dus niet aan uw afnemer stuurt) lijkt dat probleem makkelijk opgelost. U draagt per saldo geen btw af, en ook de omzet verdwijnt uit de boeken. Let op. Dit mag niet! U loopt zo risico op naheffingen en hoge boetes.
Besluit staatssecretaris. De overheid probeert het milieu te ontzien en maakt zich sterk voor energiebesparing. Men probeert bedrijven over de streep te trekken, onder meer via de Energie-investeringsaftrek (EIA) en de Milieu-investeringsaftrek (MIA). De staatssecretaris heeft onlangs via een Besluit, 08.12.2016 (nr. 2016-101667) , voor bedrijven duidelijk gemaakt wanneer men in aanmerking komt voor investeringsaftrek bij investeringen in zonnepanelen, zonneboilers en zonnecollectoren. Wat is er precies beslist en wat heeft u eraan?
De staatssecretaris heeft besloten dat zonnepanelen, zonneboilers en zonnecollectoren gezien moeten worden als zelfstandige bedrijfsmiddelen. Dit geldt alleen niet voor zogenaamde ‘geïntegreerde zonnepanelen’. Hiermee maakt de staatssecretaris duidelijk dat voor investeringen in deze bedrijfsmiddelen ook investeringsaftrek gekregen kan worden, als ze bevestigd worden op woonhuizen.
Waarom van belang? Volgens diverse rechterlijke uitspraken is bij de beoordeling of een zaak onroerend is, doorslaggevend of de zaak naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. De wijze van bevestiging van bijvoorbeeld een zonneboiler, zonnecollector of zonnepaneel doet daarbij niet ter zake. Deze uitspraken zorgden voor onduidelijkheid, omdat er verschil van mening kan zijn of dit voor zonnepanelen, en dergelijke ook geldt. Zou een zonnepaneel onroerend zijn en bevestigd zijn op een woonhuis, dan zou het niet voor investeringsaftrek in aanmerking komen. Woonhuizen zijn immers uitgesloten van de investeringsaftrek.
Tip. Dit is nu echter niet meer van belang. Ook een zonnepaneel dat gemonteerd is op een woonhuis kan voor de investeringsaftrek in aanmerking komen .
Wat is wel relevant? Nu is slechts nog relevant of de investering bestemd is voor zakelijk gebruik en aangemerkt wordt als bedrijfsvermogen. Zo ja, dan is investeringaftrek mogelijk, ook als de zonnepanelen, en dergelijke gemonteerd zijn op het dak van een woonhuis.
Een investering in zonnepanelen, en dergelijke komt bij zakelijk gebruik in aanmerking voor de Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) en voor de EIA. Uiteraard moet u wel aan de nodige voorwaarden voldoen waarvan sommige betrekking hebben op een minimaal piekvermogen. Vraag hiernaar bij uw installateur. Ook moet u uw investering binnen drie maanden na de aangegane investeringsverplichting melden bij RVO. Ook heeft u soms vooraf een zgn. ‘SDE-beschikking’ nodig (zie http://www.rvo.nl ). De KIA levert maximaal 28% aan extra aftrek op, de EIA 55,5%. Samen dus maximaal 83,5% aan extra aftrek, oftewel: een behoorlijke slok op een borrel.
Omvang van de investering? Houd verder in de gaten dat een bedrijfsmiddel minstens € 450,- moet kosten om voor de KIA in aanmerking te komen moet. Voor de EIA geldt dat het investeringsbedrag minimaal € 2.500,- moet bedragen.
Let op. Houd er verder rekening mee dat de KIA procentueel afneemt als de investering groter is dan € 56.192,-. Het kan dus lonen om uw investering te verdelen over meerdere jaren.