“…Doet u waar u goed in bent en laat de rest aan ons over…”
Zinloze rekenexercitie? De afgelopen jaren is er stevig getornd aan de aftrek van ziektekosten. Veel categorieën kosten zijn uitgesloten en er gelden bovendien forse drempels. Daardoor is de mythe ontstaan dat vrijwel niemand meer voor aftrek van ziektekosten in aanmerking komt. Het is inderdaad waar dat met name bij hoge inkomens de drempel meestal in de weg staat aan de aftrekpost voor buitengewone lasten. Maar juist als ondernemer kunt u te maken hebben met wisselende inkomens. Tip. Ook als u in 2016 geen aftrek voor ziektekosten had, loont het de moeite om voor 2017 opnieuw de berekening te maken.
Er is flink gesnoeid in de aftrek ziektekosten, maar over 2017 kunt u onder meer de volgende kosten aftrekken:
Verhoging specifieke zorgkosten. Als uw drempelinkomen lager is dan een bepaald bedrag, heeft u recht op de ‘verhoging specifieke zorgkosten’. U mag dan meer aftrekken dan u daadwerkelijk heeft betaald voor zorgkosten.
Zoals vermeld geldt er een (vrij forse) drempel bij de aftrek van ziektekosten. De drempel wordt als volgt berekend:
| Drempelinkomen* | Drempel | |
| Meer dan | Niet meer dan | |
| – | € 7.586,- | € 129,- (€ 258,- voor fiscale partners) |
| € 7.586,- | € 40.296,- | 1,65% van het drempelinkomen |
| € 40.296,- | – | € 664,- + 5,75% van het bedrag boven € 40.296,- |
Het drempelinkomen is het verzamelinkomen voor de aftrek van specifieke zorgkosten.
Optellen. Als u in 2017 het hele jaar een fiscale partner had, moet u de specifieke zorgkosten van u en uw fiscale partner optellen. Voor de berekening van de drempel telt u ook uw drempelinkomen en dat van uw fiscale partner bij elkaar. Dit geldt ook als u een deel van het jaar een fiscale partner heeft en ervoor kiest om het hele jaar fiscale partners te zijn. Tip. Reken voordat u kiest om het hele jaar fiscale partners te zijn, uit wat dit betekent voor de aftrek ziektekosten.
Flinke aftrekpost. Tot 2017 gold, dat als een huurwoning voor meer dan 10% zakelijk werd gebruikt en het huurrecht tot het ondernemingsvermogen was gerekend, men de volledige huurkosten en overige huurderslasten van de winst mocht aftrekken. Voor het privégebruik van de huurwoning moest wel een (beperkte) bijtelling plaatsvinden. Ook moest er een correctie plaatsvinden voor het privégebruik van het GWL (gas, water en licht).
Vanaf 1 januari 2017. Vanaf 2017 bestaat er geen recht meer op aftrek van de kosten ten aanzien van het huurrecht van de huurwoning dat tot het ondernemingsvermogen is gerekend, tenzij er sprake is van een zogeheten ‘kwalificerende werkruimte’. Let op. Er is geen overgangsrecht voor bestaande gevallen.
Aftrek van kosten van de werkruimte in de huurwoning van de ondernemer is alleen mogelijk als er sprake is van een kwalificerende werkruimte. Het maakt hierbij niet uit of u het huurrecht van de gehele woning tot uw ondernemingsvermogen of tot uw privévermogen heeft gerekend. Er is sprake van een kwalificerende werkruimte als er voldaan wordt aan een tweetal cumulatieve eisen:
Als er sprake is van een kwalificerende werkruimte is kostenaftrek mogelijk:
Niet-kwalificerende werkruimte? Bij een niet kwalificerende werkruimte zijn ook de inrichtingskosten van aftrek uitgesloten. Een computer of printer vallen echter niet onder de inrichtingskosten. Dit betekent dat de afschrijvingskosten van de computer of printer ten laste van de winst kunnen worden gebracht. Tip. Investeringsaftrek op inrichtingskosten van een niet kwalificerende werkruimte is mogelijk!
Zoals dat vaak gaat … De vraag ontstaat meestal waar een gesprek met uw boekhouder over zal gaan: over het verleden of richt het gesprek zich al snel op de toekomst? En tijd is geld, voor uw adviseur, maar ook voor u als ondernemer.
Vraag 1: de totstandkoming. Hoe is het resultaat over 2017 tot stand gekomen? We bedoelen niet hoe uw accountant tot een becijfering van het resultaat is gekomen. Dat volgt als het goed is uit de boekhouding. Nee, spreek met uw accountant vooral over het verhaal achter de cijfers. Wat ging er goed in 2017 en wat had er absoluut beter gekund?
Vraag 2: 2018. Wat kan ik in 2018 beter of anders doen dan in 2017? Een goede analyse van het resultaat geeft u inzicht en leerpunten. Denk bijv. aan kosten die u in 2017 onnodig hebt gemaakt. Of een marketingactie die u hebt opgezet maar die niet genoeg opleverde. Benut 2018 om alsnog een hogere omzet te realiseren met de inspanningen die u al in 2017 heeft gedaan. Misschien bent u in 2017 te aardig geweest voor uw debiteuren en kwam u daardoor misschien wel in geldnood.
Vraag 3: het verdienmodel. Houd uw business- en verdienmodel eens tegen het licht. Veranderd klantgedrag, ontwikkelingen in uw branche of nieuwe concurrentie kunnen hiervoor redenen zijn. Waar voegt u waarde toe en hoe vertaalt zich dat in harde euro’s waar u van kunt leven? Bij (mogelijk andere) verdienmodellen kunt u denken aan het overstappen van een uurtje-factuurtjemodel naar een abonnementsmodel of het introduceren van een basisservice met een lage verkoopprijs en hogere marge door extra services.
Vraag 4: de financiering. Bent u nog optimaal gefinancierd? Ondernemers denken nog weleens te snel dat zij niet veel invloed hebben op uw financiering. Maar vergis u niet. Vandaag de dag zijn er veel mogelijkheden om uw financiering te optimaliseren waardoor u bijvoorbeeld minder geld kwijt bent aan rente. Geld dat u dan weer kunt besteden aan andere leuke of noodzakelijke dingen.
Tip. Breng daarom samen met uw accountant in kaart wat de dekkingswaarde van de activa is en of u nog wel volgens de gouden balansregel gefinancierd bent. Hierbij is het van belang dat de materiële vaste activa op uw balans gefinancierd zijn met langlopende leningen of leasecontracten en de vlottende activa op uw balans door rekening-courantkrediet, leverancierskrediet of factoring.
Vraag 5: subsidies. Welke subsidiemogelijkheden zijn er voor u in 2018? Veel ondernemers laten letterlijk geld op straat liggen doordat ze de subsidiemogelijkheden niet benutten. Zonde, toch?
Vraag 6: later. Hoeveel geld legt u opzij voor de toekomst? Ondernemen doet u niet alleen om er vandaag van te leven. U wilt ook in de toekomst een (goed) belegde boterham hebben voor als het een tijdje minder gaat, u langdurig ziek wordt of op een goede dag wilt stoppen met werken. Daarom is het zaak dat u nu al geld opzij legt om zonder al te veel zorgen de toekomst tegemoet te zien.
Vraag 7: over de belastingen. En niet alleen de belastingen die u moet betalen. Maar ook of er wijzigingen zijn in de belastingwetgeving waar u in 2018 rekening mee moet houden. En wat heeft de Belastingdienst aangekondigd waar zij zich in 2018 op richten?
Over inkomsten uit vermogen betaalt u 30% belasting in box 3. Het veronderstelde rendement over uw vermogen is afhankelijk van de omvang ervan. Hoe meer vermogen, hoe hoger het veronderstelde rendement. Desalniettemin is voor iedereen de te betalen belasting in box 3 dit jaar lager dan in 2017. Maar wat scheelt het nu?
Wijziging vrijstelling. De heffing in box 3 is op twee punten ingrijpend gewijzigd. Om te beginnen is het heffingsvrije vermogen voor iedere belastingplichtige gestegen van € 25.000,- naar € 30.000,-. Heeft u een fiscale partner, dan stijgt uw gezamenlijke vrijstelling van € 50.000,- naar € 60.000,-.
Wijziging rendement. De tweede belangrijke wijziging heeft te maken met een meer actuele berekening van het rendement op sparen.
Tot 2018 werd er voor dit rendement uitgegaan van het rendement dat behaald werd in de periode die 7 tot 2 jaar voor het eigenlijke belastingjaar lag. Thans gaan we uit van de periode die er 18 tot 6 maanden voor ligt. Aangezien het rendement op sparen de laatste jaren fors lager is geworden, resulteert dit in een verondersteld rendement op spaargeld van 0,36%. Ter vergelijking: in 2017 gingen we nog uit van 1,63%.
Na toepassing van uw vrijstelling over uw vermogen van € 30.000,- of € 60.000,- berekent u over het resterende deel de belasting via de percentages in de volgende tabel:
| Vermogen | Te betalen belasting (30%) | Rendement |
| Tot € 70.800,- | 0,606% | 2,02% |
| € 70.800,- – € 978.000,- | 1,299% | 4,33% |
| Meer dan € 978.000,- | 1,614% | 5,38% |
| Vermogen | € 200.000,- |
| Belast (€ 200.000,- -/- € 60.000,-) | € 140.000,- |
| Verondersteld rendement: | |
| € 70.800,- x 2,02% | € 1.430,- |
| -/- (€ 140.000,- -/- € 70.800,-) x 4,33% | € 2.996,- |
| Belasting (€ 1.430,- + € 2.996,-) x 30% | € 1.328,- |
Mooi toch? U betaalt in dit voorbeeld in 2018 per saldo dus € 1.328,- aan belasting in box 3.
Ter vergelijking: vorig jaar betaalde u € 1.681,-, oftewel € 353,- meer. Per saldo een verlaging van ruim 20%.
Minder voordeel grotere vermogens. Door de hogere vrijstelling en nieuwe rendementsgrondslagen gaat iedereen erop vooruit, maar hogere vermogens minder.
Het veronderstelde rendement op vermogens vanaf ongeveer € 1 miljoen daalt slechts met 0,01%. Deze profiteren echter eveneens van de verhoogde vrijstelling en van de fors lager veronderstelde rendementen tot € 1 miljoen.
De huidige systematiek van veronderstelde rendementen zal dan ook zeker nog een aantal jaren zo blijven. Ook zullen we nog een tijdje kunnen profiteren van de verhoogde vrijstelling en van het feit dat er beter wordt aangesloten bij het huidige rendement op sparen. Deze aanpassingen leveren ons komend jaar € 458 miljoen op, op termijn gaat het om € 155 miljoen per jaar.
De Belastingdienst kan onder bepaalde voorwaarden een navorderingsaanslag opleggen als de eerder opgelegde belastingaanslag te laag was vastgesteld.
Wanneer inspecteur navorderen? Navordering is mogelijk als er bijvoorbeeld sprake is van een van de volgende gevallen:
Wat is fout? Onder fout wordt verstaan: iedere fout die bij de Belastingdienst optreedt in verband met de aanslagregeling, zoals schrijf-, reken-, overname- en intoetsfouten. Ook fouten die ontstaan door de geautomatiseerde verwerking van de aangiften, kunnen met een navorderingsaanslag worden gecorrigeerd. Let op. Van een automatiseringsfout is geen sprake als de automatisering werkt zoals werd verondersteld, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17.03.2017 (GHARL:2017:2186) .
Heeft de inspecteur u een definitieve aanslag opgelegd, dan mag u er in beginsel van uitgaan dat hij hierop niet terug kan komen. De inspecteur kan normaliter tot vijf jaar na het ontstaan van de belastingschuld navorderen. Is er echter sprake van een kenbare fout, dan bedraagt de navorderingstermijn twee jaar na het ontstaan van de belastingschuld. Let op. Als u uitstel voor uw aangifte heeft, dan wordt deze periode erbij geteld. Let op. Of de navorderingsaanslag tijdig is opgelegd, bepaalt de datum van de terpostbezorging van het aanslagbiljet.
Nieuw feit?U heeft over 2016 vier maanden uitstel gekregen voor het doen van de aangifte inkomstenbelasting (IB). Er is een nieuw feit aan het licht gekomen. De navorderingstermijn bedraagt vijf jaar, de aanslag kan u uiterlijk 30 april 2022 (31 december 2016 + vier maanden + vijf jaar) opgelegd worden.
Kenbare fout?U heeft over 2016 vier maanden uitstel gekregen voor de aangifte IB. Er is sprake van een kenbare fout. De navorderingstermijn bedraagt twee jaar en de navorderingsaanslag kan u uiterlijk 30 april 2019 (31 december 2016 + vier maanden + twee jaar) opgelegd worden.
Ons hoogste rechtscollege, de Hoge Raad, 24.11.2017 (HR:2017:2986) , moest onlangs oordelen over de vraag of er in een belastingprocedure anonieme getuigen gehoord kunnen worden.
Afdrachtvermindering onderwijs. Een uitzendbureau claimt over de jaren 2010 en 2011 de afdrachtvermindering onderwijs. De inspecteur is van mening dat niet terecht is en legt naheffingsaanslagen met heffingsrente en boete op. Het uitzendbureau is het hier niet mee eens en gaat in bezwaar en beroep tegen de naheffingsaanslagen.
Beroep op gelijkheidsbeginsel. Het uitzendbureau is nu aan zet om aan te tonen dat de naheffingsaanslagen onjuist zijn. Volgens de inspecteur en de rechtbank slaagt het uitzendbureau hierin niet. In de procedure voor het gerechtshof stelt het uitzendbureau dat andere werkgevers in vergelijkbare gevallen wel afdrachtvermindering onderwijs hebben genoten. Het uitzendbureau doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel.
Waarom zij dan wel? Het uitzendbureau vraagt aan het gerechtshof om een aantal getuigen op te roepen om het beroep op het gelijkheidsbeginsel te kunnen onderbouwen.
Anoniem getuigen. Het uitzendbureau wil dat de getuigen anoniem kunnen blijven. Anders willen zij niet getuigen. De getuigen zijn namelijk bang dat zij als gevolg van hun verklaring zelf ook naheffingsaanslagen zullen krijgen.
Standpunt inspecteur. Voor de inspecteur is het anoniem horen van getuigen niet aanvaardbaar. Het is immers bijna onmogelijk om de betrouwbaarheid van een anonieme getuige of de door deze afgelegde verklaring te beoordelen.
Verzoek afgewezen. Het gerechtshof oordeelt dat de wet (Algemene wet bestuursrecht) niet voorziet in het horen van anonieme getuigen en wijst het verzoek van het uitzendbureau af.
Geen anonieme getuigen. Het uitzendbureau laat het er niet bij zitten en gaat in cassatie. De Hoge Raad overweegt dat het bestuursprocesrecht in principe niet de mogelijkheid kent om anonieme getuigen te horen. Ook niet in het geval dat de getuige zich door het afleggen van een verklaring blootstelt aan gevaar.
Het is aan de wetgever. De Hoge Raad gaat ook in op de vraag of de rechter ondanks het ontbreken van een wettelijke mogelijkheid, wel de vrijheid heeft om anonieme getuigen te horen. De Hoge Raad is echter van mening dat het niet aan de rechter is om hierover een beslissing te nemen, maar aan de wetgever.
Het is met deze beslissing van de Hoge Raad duidelijk geworden dat u als belastingplichtige geen beroep kunt doen op het anoniem horen van getuigen. Het is aan de wetgever om hier eventueel verandering in te brengen.
Ook de inspecteur niet. In een procedure geldt de gelijkwaardigheid van partijen. Wat u niet mag, mag de inspecteur (in principe) ook niet. Ook de inspecteur mag niet met anonieme getuigen op de proppen komen!
Veel ondernemers hebben hun auto op de zaak staan. Ze gebruiken die meestal ook privé en hebben dan met de bekende bijtelling te maken. In veel (ondernemers)gezinnen beschikt men tegenwoordig ook over een tweede auto voor de echtgenoot of partner. Kan deze ook op de zaak worden gezet en kunt u dan de kosten gewoon van de winst aftrekken? Interessante vragen, toch?
Als u een tweede auto ook op de zaak wilt zetten, betekent dit dat u de auto wilt aanmerken als ondernemingsvermogen. Dat kan als u de auto voor minstens 10% zakelijk gebruikt. Dat zult u desgevraagd aannemelijk moeten kunnen maken, maar een kilometeradministratie is niet verplicht. Zorg ervoor dat de auto op naam staat van degene die als ondernemer wordt aangemerkt of zet deze op naam van het bedrijf, dat voorkomt discussies.
10% zakelijk? Die 10%-voorwaarde is geen extreme eis, dus dat dit gebeurt, moet niet moeilijk aan te tonen zijn. Het zal namelijk best voorkomen dat de auto bijvoorbeeld zakelijk gebruikt wordt voor een bezoek aan de Makro, terwijl u zelf met uw eigen auto bij een klant op bezoek bent of uw auto in de garage is voor een onderhoudsbeurt.
Gevolgen? Het gevolg van een tweede auto als ondernemingsvermogen is dat ook van deze tweede auto alle kosten ten laste van de winst komen. Daar staat tegenover dat u ook voor deze auto de bijtelling krijgt. Tip. Daarom is het wellicht een optie een volledig elektrische auto als tweede auto aan te schaffen. De bijtelling is dan slechts 4% en voor lange ritten kunt u in verband met de beperkte actieradius altijd de eerste auto nemen.
U kunt er ook voor kiezen als tweede auto een bestelauto aan te schaffen. U betaalt dan geen bpm en minder mrb, als u de auto minstens 10% zakelijk gebruikt. De bijtelling wordt wel berekend over de prijs inclusief bpm en btw. Voor een bestelauto heeft u bovendien recht op de Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA), die maximaal 28% bedraagt. Op een auto van € 25.000,- scheelt dit bij een belastingtarief van 40,8% (schijf 2 en 3) € 2.456,- netto (€ 25.000,- x 28% KIA x 0,86 (MKB-winstvrijstelling) x 40,8%).
Is uw auto volledig elektrisch, dan heeft dit nog meer fiscale voordelen. Als ondernemer heeft u dan namelijk ook recht op de Milieu-investeringsaftrek. Tot een aanschafwaarde van € 50.000,- krijgt u 36% extra aftrek. Voor plug-inhybridepersonenauto’s met een CO2 -uitstoot tot 30gr./km krijgt u dit jaar 27% MIA, tot een maximuminvesteringsbedrag van € 35.000,-. Dit geldt niet voor dieselauto’s. Voor een elektrische bestelauto krijgt u 36% MIA en Vamil, allebei tot een maximuminvesteringsbedrag van € 75.000,-.
Kiest u ervoor als tweede auto een bestelauto aan te schaffen, dan betaalt u geen bpm en minder mrb als u de auto minstens 10% zakelijk gebruikt. De bijtelling wordt wel berekend over de prijs inclusief bpm en btw. Voor een bestelauto heeft u bovendien recht op de Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) die maximaal 28% bedraagt. Op een auto van € 25.000,- scheelt dit bij een belastingtarief van 40,8% (schijf 2 en 3) € 8.772,- netto.
Voorbelasting. Als ondernemer berekent u btw over uw verkochte goederen en diensten. De btw op goederen en diensten die u in het kader van uw onderneming aanschaft, is in beginsel aftrekbaar. Alleen het verschil hoeft u af te dragen. Deze rekensom is anders als u over niet al uw goederen en diensten btw hoeft te berekenen, omdat deze deels zijn vrijgesteld. Welk deel is dan aftrekbaar?
De aftrekbare btw op goederen en diensten die u zowel belast als vrijgesteld gebruikt, wordt in beginsel bepaald aan de hand van uw omzetverhouding belast/vrijgesteld. In onderstaand voorbeeld is 75% van uw omzet belast en dus ook 75% van alle betaalde btw verrekenbaar. Bijvoorbeeld:
| Omzet belast (75%) | € 300.000,- |
| Omzet vrijgesteld (25%) | € 100.000,- |
| Btw inkoop | € 50.000,- |
| Te verrekenen € 50.000 x 75% | € 37.500,- |
De wetgever heeft de mogelijkheid opengelaten om af te wijken van de berekening op basis van de omzetverhouding. Dat moet echter alleen als aannemelijk is dat het werkelijke gebruik van de gekochte goederen en diensten voor belaste dan wel vrijgestelde prestaties afwijkt van de omzetverhouding. Degene die hiervan wil afwijken, zal dit dus aannemelijk moeten maken. Dat geldt voor de belastingplichtige en de inspecteur.
Investeringsgoederen of niet? Voor goederen waarop u afschrijft, dus van € 450,- of meer, moet u per investeringsgoed bepalen of het werkelijke gebruik een betere verdeling oplevert. Voor goederen en diensten waarop u niet afschrijft doet u dit alleen als dit voor die goederen en diensten als geheel genomen een betere verdeling oplevert.
Een voorbeeld zagen we onlangs voor Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27.10.2017 (GHARL:2017:8970) In deze zaak hield een collega van u zich bezig met de handel in en exploitatie van onroerend goed. Een deel van zijn activiteiten was belast met btw, een ander deel vrijgesteld. Uw collega had de door hem betaalde btw op de facturen betreffende zijn auto, de accountant en overige algemene kosten niet afgetrokken op basis van de gerealiseerde omzet, maar op basis van het aantal vierkante meters vloeroppervlakte. De inspecteur bestreed dat die manier een nauwkeuriger resultaat opleverde dan die op basis van de omzetverhouding en hief het btw-verschil van ruim € 10.000,- na.
Objectief en nauwkeurig. Omdat in dit geval uw collega wilde afwijken van de btw-aftrek op basis van de omzetverhouding, moest hij aannemelijk maken dat zijn berekening een beter resultaat opleverde. Hierin slaagde hij niet. Hij bracht geen objectieve en nauwkeurige gegevens in op basis waarvan duidelijk was dat zijn berekening beter voldeed. De naheffingen bleven.
Dus? Gebruikt u een groter deel van de door u aangeschafte goederen en diensten voor belaste prestaties, baseer de vooraftrek dan op het gebruik. Onderbouw dit zo goed mogelijk. Volgt dat u een kleiner deel belast gebruikt, dan geldt het omgekeerde maar, heeft de inspecteur de bewijslast.
Plannen uitgesteld. De plannen voor de afschaffing van de aftrek scholingsuitgaven zijn uitgesteld. Dit betekent dat de persoonsgebonden aftrekpost voor scholingsuitgaven ook in 2018 blijft behouden.
Wanneer ook alweer aftrekbaar? Scholingskosten kunnen in aftrek worden genomen als de kosten worden gemaakt met als doel het verwerven van inkomen in box 1, zoals loon of winst. Cruciaal hierbij is of een studie bedoeld is om uw vakkennis op peil te houden of om nieuwe kennis op te doen. Doet u nieuwe kennis op, dan dient u de kosten op te voeren als persoonsgebonden scholingsuitgaven en heeft u te maken met de aftrekbeperkingen. Deze kosten en uitgaven zijn aftrekbaar indien:
Dus? Zo zijn alleen nog maar les- en cursusgelden aftrekbaar, plus door de onderwijsinstelling verplicht gestelde leer- en beschermingsmiddelen, zoals studieboeken. De rest is dus niet aftrekbaar, evenmin de eerste € 250,- aan kosten die u maakt. Er geldt een maximum van € 15.000,- aan aftrek. De kosten van zelfstudie zijn ook niet aftrekbaar. Let op. Volgt u een studie waarvoor u recht heeft op studiefinanciering, dan zijn de kosten die u in 2017 heeft gemaakt voor deze studie niet meer aftrekbaar.
Vakkennis op peil houden? Voor u als ondernemer is het dus vrijwel altijd voordeliger als u studiekosten ten laste van de winst kunt brengen. U heeft echter geen vrije keuze, want is er sprake van uitbreiding van uw vakkennis, dan is aftrek van de winst niet mogelijk. We kunnen ons echter wel voorstellen dat er soms sprake is van een grijs gebied, bijvoorbeeld als een cursus zowel elementen bevat waarmee u uw bestaande vakkennis op peil houdt, maar hieraan ook nieuwe elementen toevoegt. Tip. Gokken is een riskante optie, dus kunt u de kosten beter in redelijkheid verdelen over de winst en de aftrek als scholingskosten. Of u stemt zekerheidshalve eerst een en ander af met uw inspecteur.
Geen contant geld schenken. Door tijdens uw leven schenkingen aan uw kinderen te doen, kunt u erfbelasting besparen. Een schenking op papier is vooral interessant als u geen liquide middelen wilt schenken of ter beschikking heeft. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat het niet gewenst is dat uw kinderen op te jonge leeftijd al over vermogen kunnen beschikken of als uw geld ‘vastzit’ in uw woning of uw bedrijf.
Met een papieren schenking (schenking onder schuldigerkenning) kunt u uw kinderen schenken zonder dat er contant geld aan te pas komt. Bij deze schenking heeft u een schuld aan uw kinderen en zij hebben een vordering op u die meestal pas bij uw overlijden opeisbaar is.
Box 3. De schuld die u aan uw kinderen heeft door de schenkingen, kunt u in mindering brengen op uw box 3-vermogen. Bij uw kind valt de vordering op u ook in box 3 en wordt daar belast.
Minder erfbelasting. De schuld aan uw kinderen mag later in mindering gebracht worden op het saldo van uw nalatenschap. Hierdoor zijn uw kinderen minder erfbelasting verschuldigd.
De schenkingen op papier mogen alleen in mindering op uw nalatenschap worden gebracht als er aan de volgende voorwaarden is voldaan:
Notariële akte. U moet uw papieren schenking vast laten leggen in een notariële akte. Legt u de schenking enkel vast in een onderhandse akte, dan kan de schuld na uw overlijden niet in mindering gebracht worden op uw nalatenschap.
6% rente. Vanaf 2010 moet u over het schuldig erkende bedrag jaarlijks 6% rente betalen. Deze rente moet u ook daadwerkelijk betalen!
Schenking voor 2010. Heeft u voor 2010 een schenking op papier gedaan en heeft u toen een lager rentepercentage afgesproken? Dan voldoet u toch aan deze voorwaarde als de rente destijds zakelijk was, bijvoorbeeld een rentepercentage dat de bank in die tijd ook had kunnen berekenen.
Inhalen rente. Heeft u in een jaar verzuimd om rente te betalen? Dan moet u deze gemiste rentebetaling inhalen. Over de gemiste rentebetaling moet u ten minste 6% samengestelde rente betalen. Let op. Overlijdt u voor het betalen van de rente van de lopende termijn, dan kan de rente na uw overlijden alsnog betaald worden. Dit kan alleen als de rentetermijn maximaal één jaar is.
Repareren. Voldoen uw ‘oude’ papieren schenkingen niet aan de wettelijke vereisten? Dan mist de papieren schenking haar doel. Het bedrag ter grootte van de papieren schenking wordt dan bij uw overlijden opgeteld bij uw nalatenschap. Uw kinderen zijn hier dan alsnog erfbelasting over verschuldigd. Dan is het aan te raden om de ‘oude’ papieren schenkingen alsnog te repareren door de onderhandse schenkingsakte te bekrachtigen bij de notaris of de gemiste rente alsnog in te halen.