“…Doet u waar u goed in bent en laat de rest aan ons over…”

Verplichte energiebesparing?

Energieverbruik meer dan … Er is (al langer) een verplichting om energiebesparende maatregelen te treffen als uw bedrijf 50.000 kWh en/of 25.000 m3 aardgas of meer verbruikt. Het gaat om maatregelen die zich binnen vijf jaar terugverdienen. Om achterstanden in het naleven van deze verplichtingen weg te werken zijn er nu extra maatregelen genomen en is er een informatieplicht bijgekomen.

Welke maatregelen? Geldt voor uw bedrijf een omgevingsvergunning, dan staan de energiebesparende maatregelen in de voorschriften van uw vergunning. Voor andere bedrijven geldt het Activiteitenbesluit milieubeheer. Er zijn voor 19 bedrijfstakken Erkende Maatregelenlijsten (EML) opgesteld. Is er geen passende EML dan moet u de lijst ‘bedrijfstak zonder EML’ kiezen. U vindt ze op www.rvo.nl (zoekwoord ‘EML’). Doorloop dan het ‘stappenplan’.

Het mag ook anders. Het is toegestaan om andere maatregelen toe te passen dan die in de EML worden opgesomd. Voorwaarde is wel dat deze alternatieve maatregel minstens dezelfde energiebesparing oplevert.

Wanneer? Er zijn maatregelen die u op een ‘natuurlijk moment’ moet uitvoeren, bijvoorbeeld vloerisolatie die wordt aangebracht als er een nieuwe vloer wordt gelegd. Voor andere maatregelen geldt een ‘zelfstandig moment’, bijvoorbeeld het automatisch uitschakelen van verlichting met een aanwezigheidsschakelaar.

Melden voor 1 juli 2019. Geldt de informatieplicht, dan moet u de maatregelen voor 1 juli 2019 in een rapport melden bij RVO.nl. Het e-Loket Informatieplicht energiebesparing is hiervoor opengesteld. U vindt meer informatie op www.wattjemoetweten.nl

Controle. De gemeenten en de omgevingsdiensten kunnen met behulp van de aangeleverde rapporten gerichter gaan controleren. Gecontroleerd wordt of u aan de informatieplicht heeft voldaan en of u voldoende energiebesparende maatregelen heeft genomen.

De informatieplicht geldt alleen als uw bedrijf 50.000 kWh elektriciteit en/of 25.000 m3 aardgas of meer verbruikt. Zo ja, dan moet u voor 1 juli 2019 uw maatregelen melden. bron:indicator

Cataloguswaarde auto, belang ervan niet onderschatten!

Belang om die waarde te weten. De cataloguswaarde (hierna: ‘cw’) van een auto, is in de meeste gevallen bepalend voor de bijtelling voor de auto van de zaak. Rijdt u in een auto van de zaak meer dan 500 kilometer per jaar privé, dan moet u een bepaald percentage van de cw tot uw inkomen rekenen of is voor ondernemers dit percentage niet aftrekbaar van de winst. Zorg dat u in uw aangifte altijd uitgaat van de juiste cw. Het belang is namelijk groot, want als u een te hoge cw opgeeft, betaalt u jaarlijks een te hoge bijtelling en te veel belasting. Geeft u een te lage cw op, dan loopt u het risico op navorderingen met boetes. Wat hoort er in de cw (of juist niet)?

Waaruit bestaat de cataloguswaarde?

Incl. btw en bpm. De cw van een auto is de nieuwprijs van de auto in het jaar van aanschaf. Let op 1. Ook voor een gebruikte auto moet u altijd uitgaan van de nieuwprijs, maar u moet teruggaan tot het jaar van aanschaf om de bijtelling te bepalen. Let op 2. De cw is altijd inclusief bpm en btw, ook voor bestelauto’s.

Bestelauto. Voor bestelauto’s is voor de bijtelling niet van belang of u voor deze bestelauto’s de bpm terugkrijgt omdat u ondernemer bent. Voor bestelauto’s die alleen geschikt zijn voor het vervoer van goederen krijgt men geen bijtelling op basis van de catalogusprijs. Het privévoordeel wordt dan gesteld op de kostprijs per kilometer maal het aantal gereden privékilometers.

Accessoires? De cw van een auto is de nieuwwaarde van de auto inclusief accessoires die door of namens de fabrikant of importeur zijn aangebracht voor het toekennen van het kenteken aan de auto. Nadien aangebrachte accessoires tellen dus niet mee. Tip. In beginsel betekent dit dat u accessoires beter kunt laten aanbrengen nadat de auto op kenteken is gezet, maar de praktijk leert dat u dan vaak kortingen misloopt. In die gevallen moet u dus uitrekenen of het wel loont om de accessoires pas later te laten aanbrengen.

Waar vindt u die waarde?

Voor de meeste auto’s vindt u de cw van de auto op de site van de Dienst Wegverkeer ( https://ovi.rdw.nl/ ). Registratie van de catalogusprijs is namelijk wettelijk verplicht voor voertuigen die na 1 januari 2010 voor het eerst op naam gezet worden. De hier gevonden waarde kunt u ook gebruiken voor het berekenen van de bijtelling. Kunt u de waarde hier niet vinden, dan moet u op zoek naar alternatieven.

Alternatieven. U kunt de cw van uw auto vrijwel altijd ook verkrijgen via de fabrikant of importeur of via een garage of dealer. Wel kan het voor sommige modellen moeilijk zijn om de cw te achterhalen als een model of type niet in Nederland geleverd werd. Dan zal er via historische prijslijsten toch een cw moeten worden achterhaald.

Oudere auto? Auto’s van 15 jaar en ouder krijgen een bijtelling die niet gebaseerd is op de cw, maar op de waarde in het economisch verkeer. Dit is de werkelijke waarde van de auto op dat moment. De bijtelling bedraagt dan 35%. De bijtelling berekent u vanaf het moment dat de auto 15 jaar oud wordt. Let op. Dit betekent dat u in het jaar waarin de auto 15 jaar oud wordt, de bijtelling deels moet berekenen op basis van de cw en deels op basis van de werkelijke waarde.

De cataloguswaarde is incl. btw, bpm en accessoires aangebracht voor het toekennen van het kenteken! Via de Dienst Wegverkeer (https://ovi.rdw.nl), de importeur, de fabrikant of de dealer kunt u die waarde opvragen. Bij auto’s van 15 jaar en ouder gaat het voor de bijtelling om de werkelijke waarde (van nu)! bron:indicator

Hoeveel is een VAR-wuo waard?

Bescherming opdrachtgevers. De bedoeling van de VAR was het beschermen van opdrachtgevers. Als achteraf zou komen vast te staan dat een door hen ingeschakelde zzp’er of freelancer toch in loondienst bij hen werkzaam was, dan konden zij niet worden aangesproken op de niet-ingehouden loonheffing. De zzp’er of freelancer zou echter wel achteraf gecorrigeerd kunnen worden.

Oordeel Belastingdienst staat vast. In deze kwestie lijkt nu een bres te zijn geslagen. Diverse rechterlijke uitspraken maken namelijk duidelijk dat de Belastingdienst bij een eerder afgegeven VAR-winst uit onderneming (wuo) bijna onmogelijk uw inkomsten niet als winst uit onderneming kan kwalificeren. Ter illustratie bespreken wij een recente uitspraak van Rechtbank Gelderland.

Wat speelde er?

Verpleegkundige. Het gaat hier om een verpleegkundige binnen de AWBZ-zorgverlening. In de jaren 2011-2013 ontvangt zij ieder jaar, na een door haar ingevulde aanvraag, een VAR-wuo.

Herziening VAR. In oktober 2013 besluit de Belastingdienst dat dit niet terecht is. Deze herziet de VAR-wuo naar een VAR-loon. Dit vindt niet met terugwerkende kracht plaats. Vervolgens doet de verpleegkundige aangifte inkomstenbelasting over 2013. Zij vermeldt hierin haar winst uit onderneming. Zij is namelijk nog steeds van mening dat zij ondernemer is voor de inkomstenbelasting.

Wat zegt de rechter?

Geen ondernemerschap. Dit blijkt onterecht omdat op basis van een uitspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2018:2120) AWBZ-gefinancierde zorg in natura niet als winst uit onderneming wordt aangemerkt. Desondanks is de vrouw van mening in haar recht te staan. Ze heeft immers eerder van de Belastingdienst een VAR-wuo gekregen, waar zij op mag vertrouwen.

Vertrouwensbeginsel. Rechtbank Gelderland (ECLI:NL:RBGEL:2019:1394) oordeelt dat dit inderdaad het geval is. Weliswaar zouden de inkomsten van de verpleegkundige niet als winst uit onderneming moeten worden aangemerkt, toch moet de inspecteur haar belastingaangifte accepteren. Doordat de vrouw een VAR-wuo heeft ontvangen, mag zij erop vertrouwen dat zij in 2013 als ondernemer wordt aangemerkt. Voor 2014 gaat dit niet meer op, omdat de Belastingdienst haar voor dat jaar geen VAR-wuo meer heeft gegeven.

Wat kunt u hiermee?

Alleen voor oudere jaren. Uit deze rechtspraak blijkt dat u sterk mag vertrouwen op een afgegeven VAR-wuo. Als deze is gebaseerd op juiste gegevens, dan kan de inspecteur hier bij de aanslagregeling niet van afwijken. Alle VAR’s zijn collectief opgezegd en vanaf 1 mei 2016 kan er geen vertrouwen meer aan worden ontleend. Deze rechtspraak is dus alleen voor oudere jaren van belang.

Status handhaven. Dit betekent dat als u in een discussie bent verwikkeld met de Belastingdienst over uw ondernemerschap, het raadzaam is eens goed te kijken welke VAR u eerder heeft ontvangen. Op basis van het vertrouwensbeginsel kan het hierdoor wel mogelijk zijn om uw status als ondernemer (tijdelijk) te handhaven. Dat scheelt uiteraard een behoorlijke som aan te betalen inkomstenbelasting!

Een VAR-wuo kan rechtskracht houden, zelfs als duidelijk is dat uw inkomsten eigenlijk geen winst uit onderneming (meer) vormen. De Belastingdienst kan deze inkomsten alleen anders beoordelen vanaf het moment dat deze de VAR heeft herzien. bron:indicator

Vanaf 2020 de BV in, of nog wachten?

Tarieven Vpb dalen. Voor winsten over de eerste € 200.000 betaalt een BV in 2019, 2020 en 2021, respectievelijk: 19, 16,5 en 15%. Over het meerdere bedragen de tarieven in 2019, 2020 en 2021, respectievelijk: 25, 22,55 en 20,5%.

Afbouw aftrekposten. Vanaf 2020 mag u naast de reeds beperkte aftrek van hypotheekrente, de persoonsgebonden aftrekposten, de ondernemersaftrek (zelfstandigenaftrek, startersaftrek, meewerkaftrek, stakingsaftrek, aftrek S&O), de MKB-winstvrijstelling en de terbeschikkingstellingsvrijstelling niet meer tegen het toptarief aftrekken. Indien uw box 1-inkomen vanaf 2020 boven de € 68.507 komt, heeft de afbouw gevolgen voor de belastingheffing. Tip. Mede door de afbouw van de aftrekposten kan een overstap naar de BV interessanter worden.

Tarief 2020 2021 2022 2023
Max. aftrektarief overige aftrekposten 46% 43% 40% 37,05%

Daling toptarief inkomstenbelasting. In de komende jaren gaan de tarieven in de inkomstenbelasting dalen. Is dat interessant?

Tip. De dga profiteert voor wat betreft zijn gebruikelijk loon van de lagere tarieven in box 1. Daarbij heeft de afbouw van de aftrekposten voor de ondernemersfaciliteiten geen gevolgen voor de dga.

Let op. De overstap naar een BV kent natuurlijk nog meer beslissingsfactoren dan alleen maar de belastingdruk, zoals civiele aansprakelijkheid, de extra kosten bij een BV en de (hogere) ab-heffing (box 2).

Omslagpunt. De vraag bij welke winst de BV fiscaal voordeliger is, is persoonsgebonden. Gemiddeld kunt u stellen dat het omslagpunt rond de € 150.000 ligt. Door de fiscale wijzigingen komt dit omslagpunt lager uit.

Mede door de afbouw van de aftrekposten in de IB kan een overstap naar de BV interessanter worden. De dga profiteert van de lagere IB-tarieven in box 1. bron:indicator

Btw op horecabestedingen soms toch aftrekbaar

Inclusief btw boeken. Voor horecabestedingen geldt dat de btw hierop niet als voorbelasting mag worden verrekend bij de btw-aangifte. Als het om zakelijke kosten gaat, dan zijn deze kosten inclusief btw beperkt aftrekbaar van uw winst.

Horeca-uitgaven doorbelasten. Maar wat nu als u horeca-uitgaven doet en u deze vervolgens weer aan uw afnemers verstrekt? Dan pakt deze regelgeving erg vervelend uit. U moet dan aan uw afnemers btw in rekening brengen over uw gehele prestatie (dus inclusief de ingekochte horeca), maar u mag de btw op de inkoop van de horeca niet als voorbelasting in aftrek brengen. Dit speelt bijvoorbeeld bij evenementen die u organiseert voor uw klanten.

Wat speelde er onlangs bij de rechter?

Kennisgroep Belastingdienst. Uit een recente uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant (ECLI:NL:RBZWB:2018:6939) is echter op te maken dat de Belastingdienst in dergelijke situaties wel met u mee wil denken. In deze uitspraak wordt namelijk melding gemaakt van een standpunt van de Kennisgroep Omzetbelasting (onderdeel Belastingdienst) dat voor u profijtelijk kan uitpakken.

Btw op ingekochte horeca aftrekbaar. Deze kennisgroep is namelijk van mening dat onder voorwaarden de btw op de ingekochte horeca wel mag worden verrekend.

Voorwaarden. Het lastige is echter dat deze standpunten van kennisgroepen niet openbaar worden gemaakt. Dit betekent dat we moeten proberen uit de uitspraak van de rechtbank af te leiden welke voorwaarden door de Belastingdienst worden verbonden aan deze goedkeuring.

Uitgaande factuur. Duidelijk is dat een evenementenbureau of een andere tussenpersoon de btw op ingekochte horeca-uitgaven mag terugvragen. Wel moet dan op de uitgaande factuur (aan de klant) worden vermeld dat:

  • de prestatie betrekking heeft op het verstrekken van voedingsmiddelen voor gebruik ter plaatse;
  • het deel van de btw op de factuur dat hierop ziet niet als voorbelasting aftrekbaar is bij de afnemer/ontvanger van de factuur.

Btw-positie van uw afnemer

Als u de btw op de door u ingekochte horeca terugvraagt, betekent dit dus dat uw afnemer de btw over het horecacomponent in uw prestatie niet mag verrekenen. Let op. Voor ondernemers is dit natuurlijk vervelend, waardoor u mogelijk afziet van toepassing van deze regeling.

Vrijgestelde ondernemer. Als uw afnemer/klant echter een particulier is of een partij die zelf geen recht heeft op btw-aftrek (btw-vrijgestelde ondernemer), dan maakt deze nieuwe wijze van factureren voor uw afnemer geen verschil. In dat geval kan het aantrekkelijk zijn deze goedkeuring toe te passen en de btw op de door u ingekochte horeca toch in aftrek te brengen.

Speel op zeker

Vooroverleg. De voorwaarden voor deze goedkeuring zijn ontleend aan deze uitspraak van de rechtbank. Om volledige fiscale zekerheid te krijgen, is het raadzaam hierover overleg te voeren met uw belastinginspecteur. Zo kunt u ervoor zorgen dat de btw op door u ingekochte horeca toch mag worden verrekend.

Als u op kosten van uw afnemers horeca-uitgaven doet en doorbelast, kunt u mogelijk toch de btw op de ingekochte horeca bij uw btw-aangifte als voorbelasting in aftrek brengen. Houd er wel rekening mee dat deze btw dan bij uw afnemer niet aftrekbaar is. bron:indicator

Verhuizing per 1 juni 2019

“Ik wil helemaal geen BIZ-heffing!”

Waar draait het om? De meeste ondernemers zitten vol ideeën ter bevordering van hun binnenstad of winkelcentrum. Uitvoering via de ondernemersvereniging heeft als nadeel dat de zogenaamde freeriders aan de kosten niet meebetalen. Dit probleem kan opgelost worden via een BIZ-heffing van de gemeente. Wat nu als u op goed bedoelde activiteiten en de ermee gepaard gaande BIZ-heffing helemaal niet zit te wachten? Hoe voorkomt u dan dat u toch de knip moet trekken?

BIZ-heffing

Gemeenten besluiten enkel onder strikte voorwaarden tot invoering van een BIZ-heffing. Dit moet via een verordening. Met de opbrengsten van de BIZ-heffing kunnen activiteiten in de openbare ruimte en op het internet betaald worden. Die zijn gericht op “het bevorderen van de leefbaarheid of de veiligheid in de bedrijveninvesteringszone of de ruimtelijke kwaliteit of de economische ontwikkeling van de bedrijveninvesteringszone” .

Aan wie opgelegd? De BIZ-heffing wordt opgelegd aan de ondernemers in hun gebied. De BIZ-heffing kan worden opgelegd aan de gebruikers en/of de eigenaren van de bedrijfspanden. De BIZ-heffing kan gekoppeld worden aan de WOZ-waarde van het bedrijfspand of voor iedereen gelijk zijn.

Toestemming vooraf! De gemeenteraad mag weliswaar zelf een verordening inzake een BIZ-bijdrage vaststellen, maar deze treedt pas in werking nadat duidelijk is dat hiervoor voldoende meerderheid bestaat. Dit betekent dat u, indien de gemeente van plan is aan u een BIZ-heffing op te leggen, eerst voor of tegen deze heffing mag stemmen. Bovendien moet van alle stemgerechtigden minstens de helft een stem uitbrengen en moet hiervan in beginsel een meerderheid van 2/3 deel vóór invoering zijn. Zo niet, dan gaat de BIZ-heffing niet door!

Aanvechten achteraf? Een bestaande BIZ-heffing kunt u, na een periode van minstens een jaar, ook weer laten verdwijnen. Hiervoor moet minstens 20% van alle BIZ-plichtigen een verzoek tot onderzoek indienen bij de gemeente. Die moet dan via een schriftelijke stemming peilen of meer dan de helft van de BIZ-plichtigen de heffing nog steeds steunt. Blijkt dit niet, dat moet de gemeenteraad zich opnieuw hierover uitspreken.

Wees een bezwaar en beroep voor

Wacht niet af! Bent u het niet met de invoering van een BIZ-heffing eens, probeer deze dan zo vroeg mogelijk aan te vechten. Wacht niet tot de BIZ-heffing in de bus valt om daarna bezwaar en beroep aan te tekenen. Dit heeft alleen kans van slagen als de BIZ-heffing niet aan de formele eisen voldoet, zoals bijvoorbeeld het ontbreken van een begroting ter besteding van de opbrengst.

Geen profijt? Dat u van de BIZ-heffing bekostigde zaken geen profijt heeft, doet niet ter zake, zo besliste onlangs nog Rechtbank Oost-Brabant (ECLI:NL:RBOBR:2019:1263) . Het is beter om al bij invoering van de verordening (stemrondes) uw stem te laten horen. Geef daarin aan waarom de BIZ-heffing naar uw mening niet ingevoerd moet worden. Ook als slechts 1/3 deel van de stemgerechtigden u steunt, gaat de heffing niet door. Lukt dit u niet, dan kunt u de BIZ-heffing dus ook achteraf bestrijden. Zorg dan voor ten minste 20% medestanders, dan kunt u een stemming afdwingen.

Bent u tegen invoering van een BIZ-heffing, probeer dan vóórdat deze in werking treedt minstens een derde van de stemgerechtigden achter u te krijgen. De heffing is in dat geval namelijk van tafel. Zo voorkomt u ook dat u achteraf in bezwaar en beroep moet als de heffing al aan u is opgelegd. bron:indicator

Uw toekomst van belang bij aanschaf van een bestelauto

Populariteit bestelauto’s stijgt

Bestelauto’s zijn steeds populairder bij ondernemers. Geen wonder, want ze kennen tal van fiscale voordelen. Zo betaalt u minder mrb, geen bpm en komen ze in aanmerking voor de investeringsaftrek voor kleinschalige investeringen (KIA). Aan deze voordelen zijn wel voorwaarden verbonden. Let op. Die betekenen dat u een risico loopt als u er niet meer aan voldoet. Daar zit de crux …

Geen bpm. Alleen ondernemers hoeven geen bpm te betalen bij aanschaf van een bestelauto. Dit om misbruik van de regeling door particulieren tegen te gaan. Verder geldt als voorwaarde dat u de auto voor meer dan 10% zakelijk moet gebruiken. Dit moet u aannemelijk maken, dus keihard bewijs via een kilometeradministratie is niet vereist, maar wel slim. Let op. Bent u geen ondernemer meer, verkoopt u de bestelauto binnen vijf jaar aan een particulier of gebruikt u de bestelauto minder dan 10% zakelijk, dan moet u alsnog een deel van de bpm betalen.

Minder wegenbelasting (mrb). Ondernemers komen ook in aanmerking voor een lager mrb-tarief. Ook daarvoor geldt de eis dat u ondernemer moet zijn en de auto voor meer dan 10% zakelijk gebruikt. De korting is fors. Zo betaalt u bijvoorbeeld voor een bestelauto op diesel met een gewicht van 1.300 kg normaal € 277 per kwartaal aan wegenbelasting. Bent u ondernemer, dan betaalt u ‘maar’ € 82 per kwartaal.

KIA. Bij aanschaf van een nieuwe of gebruikte bestelauto, heeft u als ondernemer ook recht op de KIA. Die geldt als u in een jaar niet meer investeert dan € 318.449. De KIA kan oplopen tot 28% met een maximum van € 16.051. De KIA kan in mindering worden gebracht op de jaarwinst. Voorwaarde is dat de bestelauto wordt aangemerkt als ondernemingsvermogen.

Geen ondernemer meer

Onlangs ging een collega van u de fout in toen zij rondreed in haar bestelauto, terwijl ze geen onderneming meer dreef. Toen de fiscus een boekenonderzoek bij haar wilde uitvoeren, bleek dat er op dat moment geen sprake meer was van een bedrijf. Wel waren er pogingen ondernomen, maar die waren na een jaar alweer gestrand. Daarop werden naheffingsaanslagen mrb opgelegd.

Geen activiteiten. Rechtbank Noord-Nederland (ECLI:NL:RBNNE:2019:880) was het met de inspecteur eens dat er geen recht meer bestond op een korting op de mrb. Nog wel in het jaar waarin pogingen werden gedaan het bedrijf op te starten, maar het jaar erna niet meer. Op dat moment werden er namelijk geen ondernemingsactiviteiten meer uitgevoerd, zo bleek. Over deze periode bleven de naheffingen dus in stand, in totaal voor € 2.380.

Trek tijdig aan de bel

Zo wordt duidelijk dat u bij het tijdelijk of definitief stopzetten van uw onderneming zelf initiatieven moet nemen inzake uw bestelauto.

Tip. Doe zelf binnen één maand nadat u niet meer aan de voorwaarden voldoet, aangifte bpm én mrb (mrb direct aangeven!). Voorkom zo vervelende en vooral dure naheffingen en boetes.

Houd er bij de aanschaf van een bestelauto rekening mee dat u moet voldoen aan de fiscale voorwaarden om geen bpm en minder mrb te betalen. Voldoet u hier niet meer aan, geef dit dan tijdig door. Alleen dan voorkomt u naheffingen en boetes. bron:indicator

Zelfstandigen inhuren, blijf waakzaam!

Toezichtsplan. Onlangs heeft de Belastingdienst de resultaten van het Toezichtsplan Arbeidsrelaties (Wet DBA) bekendgemaakt. Zoals u weet is de handhaving van de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (DBA) uitgesteld tot in ieder geval 1 januari 2020. Tot 1 juni 2018 handhaafde de Belastingdienst wel in gevallen van ernstige kwaadwilligheid. Let op. Vanaf 1 juli 2018 kunnen er echter naheffingen en boetes worden opgelegd in alle gevallen van kwaadwilligheid.

Wees hiervoor op uw hoede! Uit het onderzoek kwamen de volgende aanwijzingen aan het licht waarbij onjuist handelen werd vermoed:

  • aanwijzingen voor de aanwezigheid van een gezagsverhouding, terwijl er volgens de overeenkomst geen gezagsverhouding zou zijn;
  • zzp’ers die op dezelfde wijze, dezelfde werkzaamheden verrichten als eigen werknemers;
  • kernactiviteiten die worden uitgevoerd die een wezenlijk onderdeel van de bedrijfsvoering betreffen, wat een aanwijzing kan zijn voor werken in dienstbetrekking;
  • er is geen vervanging van de zzp’er mogelijk of wenselijk, terwijl het gezag niet ontbreekt;
  • zzp’ers die geen mogelijkheid hebben om zelfstandig hun werk in te delen;
  • de duur van de arbeidsrelatie. Deze blijkt dermate lang te zijn dat het werk van de zzp’er lijkt te zijn ingebed in de organisatie;
  • er lijkt sprake te zijn van een fictieve dienstbetrekking;
  • er wordt niet conform de modelovereenkomst gewerkt.

Let op. Indien een van de genoemde punten speelt, kan er een vervolgonderzoek worden ingesteld. De Belastingdienst moet bij sancties kunnen bewijzen dat er sprake is van een van de volgende drie zaken:

  1. een (fictieve) dienstbetrekking;
  2. evidente schijnzelfstandigheid;
  3. opzettelijke schijnzelfstandigheid.
Inhuren van zelfstandigen blijft een serieus aandachtspunt van de fiscus met kans op vervolgonderzoek! Voorkom de genoemde situaties uit de bevindingen. bron:indicator

Uw bankrekening, wie kijkt er mee?

Portaal. Volgens de nieuwe regels worden banken en andere financiële instellingen die rekeningen met een IBAN-nummer aanbieden, aangesloten op het zogeheten ‘Verwijzingsportaal Bankgegevens’ waarin overheidsdiensten geautomatiseerd gegevens kunnen opvragen.

Ongebruikelijke transacties. Banken worden wettelijk verplicht om vragen via het Verwijzingsportaal Bankgegevens geautomatiseerd te beantwoorden. Het gaat dan om vragen van de politie, de bijzondere opsporingsdiensten en het Openbaar Ministerie.

Voorkoming fraude. Ook de Belastingdienst krijgt toegang tot het Verwijzingsportaal Bankgegevens om te controleren of opgegeven rekeningnummers overeenkomen met de gegevens van banken, om bijvoorbeeld fraude bij uitbetaling van toeslagen te voorkomen.

Wanneer? Het wetsvoorstel verwijzingsportaal bankgegevens wordt in het voorjaar aan de kamer aangeboden.

Banken hebben al de verplichting om door de overheid gevraagde gegevens ‘handmatig’ te verstrekken. Straks moeten ze die gegevens via een verwijzingsportaal automatisch aan o.a. de Belastingdienst verstrekken. bron:indicator

Wilhelminalaan 1, 1441 EK Purmerend
Tel: 0299-767002 / E-mail: info@partnersinadministraties.nl