“…Doet u waar u goed in bent en laat de rest aan ons over…”
Kwartaalaangifte btw. Het op tijd indienen en betalen van de aangiften btw blijkt voor veel ondernemers nog regelmatig lastig te zijn. Forse boetes zijn het gevolg. Vervelend en onnodig!
Wat zijn de termijnen?
Aangifte- en betaaltermijnen vanaf het tweede kwartaal 2019.
| Tijdvak | Uiterste aangiftedatum | Uiterste betaaldatum |
| 3e kwartaal | 31 oktober 2019 voor 24.00 uur | 31 oktober 2019 |
| 4e kwartaal | 31 januari 2020 voor 24.00 uur | 31 januari 2020 |
Let op. Op de uiterste betaaldatum moet het geld op de bankrekening van de Belastingdienst staan.
Niet tijdig indienen. Als u de aangifte omzetbelasting niet of niet binnen de termijn indient, is dit een aangifteverzuim waarvoor u een boete kunt krijgen van € 65 (2019). Wanneer u de btw-aangifte stelselmatig niet of te laat indient, kan er een maximale boete van € 131 (2019) opgelegd worden. Deze boete is niet gerelateerd aan het belastingbedrag. Tip. Voor het tijdig doen van uw btw-aangifte geldt er een coulancetermijn. U kunt de boete ontlopen door alsnog binnen zeven kalenderdagen na de uiterste aangiftetermijn uw aangifte te doen.
Betaalt u te laat? Dan kunt u een betaalverzuimboete van 3% van het verschuldigde btw-bedrag krijgen met een minimum van € 50 en een maximum van € 5.278.
Coulancetermijn. Voor het tijdig betalen van uw btw-aangifte hanteert de Belastingdienst een coulancetermijn. De coulancetermijn begint na de uiterste betaaldatum en eindigt zeven kalenderdagen na de uiterste betaaldatum. Betaalt u de verschuldigde btw alsnog binnen deze coulancetermijn en heeft u de vorige btw-aangifte op tijd en volledig betaald, dan krijgt u geen betaalverzuimboete. U krijgt wel een verzuimmededeling. Let op. Heeft u de vorige btw-aangifte niet op tijd en volledig betaald, dan krijgt u wel een betaalverzuimboete. Betaalt u deels binnen de coulancetermijn en deels buiten de coulancetermijn, dan krijgt u een verzuimboete over het gehele bedrag.
Dat kan van pas komen als u wilt weten wat er van u geregistreerd is. Bijvoorbeeld als u zakelijk of privé een financiering wilt aangaan en er bij het BKR gecheckt wordt of u daar geregistreerd staat.
Hoe gaat dat? Het inzien hoeft niet meer schriftelijk via een formulier te gebeuren, maar kan nu online via iDIN (zoals met internetbankieren).
Let op. U moet allerlei gegevens invullen. Dat kunnen ‘ontbrekende’ gegevens zijn, gegevens waarmee men uw identiteit wil controleren en gegevens die men nodig heeft om alle registraties boven water te krijgen. U ontkomt hier niet aan.
Online de gegevens inzien. Hierna krijgt u een bevestigingsmail en een e-mail waarin staat hoe u kunt inloggen (iDIN) om uw gegevens in te zien. Het hele proces kan enkele minuten duren, of bij onduidelijkheden drie werkdagen. Door de vele aanvragen geeft de BKR momenteel aan dat die drie dagen niet altijd haalbaar zijn.
Dit betekent een energie-index van 1,3 of beter. Voldoet het pand dan niet aan de eisen, dan mag u het per 1 januari 2023 niet meer als kantoor gebruiken of verhuren. Deze verplichting staat in het Bouwbesluit. Deze verplichting is er niet als:
Met de ‘Energiebesparingsverkenner Kantoren’ ( https://www.rvo.nl – zoekwoord: energiebesparingsverkenner kantoren) kunt u een indicatie krijgen hoe u aan de energielabel C-verplichting kunt voldoen. U krijgt inzicht in de investeringskosten, de jaarlijkse besparing op energiekosten en de terugverdientijd.
Door gemis energiebelasting. Het zelf opwekken van zonne-energie blijft populair. Zo populair zelfs dat de overheid maatregelen neemt om de omvang van de daardoor gemiste energiebelasting te beperken. Maar wat betekent dit nu voor de eigenaren van zonnepanelen en voor degenen die deze overwegen aan te schaffen? Hoe financieel aantrekkelijk zijn zonnepanelen straks nog?
Zo is het nu (2019). De huidige salderingsregeling betekent dat eigenaren van zonnepanelen de opgewekte zonne-energie tegen dezelfde prijs aan het energiebedrijf kunnen terugleveren dan de prijs die ze zelf voor energie betalen. Hierdoor mist de overheid de energiebelasting over de opgewekte energie. Alleen als u meer energie levert dan u zelf verbruikt, wordt er een lagere prijs vergoed.
Subsidie. Als alternatief voor de salderingsregeling is er overwogen om een subsidie in te voeren. Deze zou bestaan uit een vaste terugleververgoeding en een terugleversubsidie. Deze plannen waren uitvoeringstechnisch te ingewikkeld en worden daarom ingeruild voor een alternatief.
Vanaf 2023 afbouw salderingsregeling. In plaats van de subsidie zal de huidige salderingsregeling worden afgebouwd. Dit betekent dat degenen die energie terugleveren aan het energiebedrijf, vanaf 2023 niet meer dezelfde prijs ontvangen dan de prijs van de energie die ze zelf betalen. Uiteindelijk in 2031 zal het fiscale voordeel van de salderingsregeling helemaal zijn verdwenen. Volgens de verantwoordelijke bewindsman Wiebes hoeft dit geen probleem te zijn, omdat de kostprijs van zonnepanelen de komende jaren zal blijven dalen. Daardoor zal ook na het verdwijnen van het fiscale voordeel de terugverdientijd van zonnepanelen nog steeds ongeveer zeven jaar bedragen.
Gesplitste meter. Om de plannen qua uitvoering ook te kunnen realiseren, moet ieder huishouden vanaf 2023 gaan beschikken over een gesplitste energiemeter. Wettelijk zal er worden vastgelegd dat ieder huishouden hiertoe verplicht is. Door te voorziene privacybezwaren is het niet noodzakelijk dat een gesplitste meter ook een ‘slimme’ meter is.
Energieopslag aantrekkelijker. Omdat de afbouw van het fiscale voordeel alleen gaat gelden voor teruggeleverde energie, wordt de opslag van zelf opgewekte energie aantrekkelijker. Minister Wiebes hoopt dat dit proces door de maatregelen versneld wordt.
Verlenging terugverdientijd. Bezitters van zonnepanelen moeten er rekening mee houden dat de terugverdientijd van hun investering door de maatregel wordt verlengd. Zij gaan in de toekomst immers een deel van de geplande opbrengst missen. Zij kunnen dit voorkomen door te investeren in de opslag van zelf opgewekte zonne-energie, maar dit is nu nog nauwelijks financieel aantrekkelijk vanwege de hoge kosten.
Plannen? Als u zonnepanelen overweegt, moet u er rekening mee houden dat vanaf 2023 een deel van de energiebelasting (thans € 0,1193 excl. btw) niet meer wordt terugbetaald. Hoe snel de afbouw gaat verlopen, is nog niet bekend. Of het verlies opweegt tegen een verdere kostendaling van aan te schaffen zonnepanelen, is evenmin bekend en is dus helaas nog koffiedik kijken.
Om de aftrek studiekosten te bepalen is het van belang of de studie bedoeld is om uw kennis op peil te houden, dan wel uit te breiden. Hoe zit dat?
Kennis op peil houden? Als u bij wilt blijven op uw vakgebied, dan mag u de kosten van het op peil houden van vakkennis 100% ten laste van de winst brengen. Tip. Indien u de studiekosten van de winst kunt aftrekken, mag u ook de reis- en verblijfskosten aftrekken. Ook mag u de in rekening gebrachte btw als vooraftrek in mindering brengen bij de btw-aangifte. Let op. Voor reis- en verblijfskosten die u maakt in verband met cursussen en opleidingen voor studie en beroep, alsmede in verband met congressen, seminars, symposia, excursies, studiereizen, e.d., geldt een aftrekbeperking van maximaal € 1.500.
Kennis uitbreiden? Doet u nieuwe kennis op en maakt u de scholingskosten met als doel het verwerven van inkomen in box 1, zoals loon of winst, dan dient u de kosten op te voeren als persoonsgebonden scholingsuitgaven in uw aangifte inkomstenbelasting.
Let op. U krijgt dan te maken met aftrekbeperkingen. Zo zijn de kosten en uitgaven aftrekbaar als:
Welke kosten zijn aftrekbaar? Aftrekbaar zijn:
Er geldt er een maximum van € 15.000 aan aftrek per jaar.
Niet-aftrekbare kosten? Niet aftrekbaar zijn:
Duurzame goederen? Moet u voor uw studie duurzaam goed aanschaffen (goederen die een aantal jaren meegaan) die iemand niet snel zou kopen als hij deze studie niet volgt, dan moet u hierover afschrijven en rekening houden met de restwaarde en levensduur. Het bedrag van de jaarlijkse afschrijving mag u bij uw scholingskosten optellen. Let op. De (hogere) kosten mogen niet gemaakt zijn door een persoonlijke voorkeur.
Toekomstplannen? Er zijn plannen om de fiscale aftrekpost in 2021 te vervangen door een subsidieregeling, het ‘STAP-budget’ (Stimulans ArbeidsmarktPositie). Zo kan iedere Nederlander dan een persoonlijk ontwikkelingsbudget aanvragen van € 1.000 tot € 2.000 per jaar. Het kabinet komt nog met een verdere uitwerking, waarover wij u dan verder informeren en adviseren.
Bepaalde sectoren. De heffing van btw vindt in principe plaats bij de ondernemer die de prestatie verricht. Dit is echter anders als de afdracht van btw is verlegd naar de afnemer. Dit speelt bijvoorbeeld bij onderaanneming in de bouwsector en de schoonmaakbranche. Daarnaast geldt de verleggingsregeling (meestal) ook als een buitenlandse ondernemer voor een Nederlandse afnemer in Nederland een dienst verricht.
Geen btw op de factuur. Zoals gezegd, zorgt de verleggingsregeling ervoor dat de afdracht van btw wordt verlegd naar de afnemer. Dit betekent dat er geen btw op de factuur wordt vermeld. De afnemer geeft de verschuldigde btw over de prestatie aan, maar mag deze ook direct weer als voorbelasting aftrekken. Per saldo wordt er niemand rijker door, maar het zorgt er wel voor dat de Belastingdienst niet achter het net vist. Men loopt immers niet het risico dat de btw wel door de afnemer wordt afgetrokken, maar niet wordt afgedragen door de leverancier.
In principe geen vooraftrek. Stel nu dat uw leverancier ten onrechte de verleggingsregeling niet heeft toegepast. U betaalt netjes de factuur inclusief btw. Mag u deze btw dan verrekenen? In de praktijk weigert de Nederlandse Belastingdienst de aftrek van de ten onrechte in rekening gebrachte btw. Deze redeneert dat u maar moet aankloppen bij uw leverancier. Hij moet de ten onrechte aan u in rekening gebrachte btw terugbetalen. Het Europees Hof van Justitie heeft deze visie onlangs bevestigd (ECLI:EU:C:2019:327) .
Belangrijke kanttekening. Hierbij maakt het Europees Hof van Justitie echter ook nog een belangrijke kanttekening. Als terugbetaling van de ten onrechte in rekening gebrachte btw door de leverancier onmogelijk of uiterst moeilijk blijkt te zijn, dan mag u uw verzoek tot terugbetaling van deze btw richten aan de Belastingdienst. Let op. Voorwaarde hierbij is uiteraard wel dat de leverancier de btw netjes heeft afgedragen. Dit speelt bijvoorbeeld in situaties waarin uw leverancier inmiddels failliet of insolvent is.
Factuur controleren. Breng in kaart bij welk soort leveringen of diensten de btw naar u moet worden verlegd. Maak hier consequent een controlepunt van, voordat u facturen betaalt. Zo voorkomt u dat u achteraf op zoek moet naar uw gelijk.
Factuur laten corrigeren. Maar wat te doen als de originele factuur inderdaad onjuist blijkt te zijn? U moet dan uw leverancier vragen zijn factuur te corrigeren. Dit kan door het uitreiken van een nieuwe factuur of door de originele factuur aan te vullen.
Factuur beter aanvullen. Dit laatste is veelal het makkelijkste, omdat er dan geen verzoek tot herziening van de eerdere btw-aangifte hoeft te worden gedaan. De aanvullende factuur krijgt immers de datum van heden. Daarnaast bestaat er niet het risico dat u als afnemer te veel btw heeft verrekend, omdat dit hiermee wordt gecorrigeerd.
Privégebruik auto van de zaak. Als uw auto tot het ondernemingsvermogen wordt gerekend of zelfs moet worden gerekend, mogen alle kosten en lasten die verband houden met de auto ten laste van de winst worden gebracht. Feitelijk is er dan sprake van een auto van de zaak. Gebruikt u de auto van uw onderneming ook privé, bijvoorbeeld voor uw vakantieritten, boodschappen of familiebezoek, dan heeft u daar voordeel van. Als u met die auto meer dan 500 kilometer per jaar privé rijdt, krijgt u hiervoor dan ook een ‘bijtelling’. Op grond van de autokostenfictie vindt er dan een winstcorrectie plaats voor het privégebruik. Deze winstcorrectie voor ondernemers heet eigenlijk geen ‘bijtelling’ maar ‘onttrekking’ en verhoogt daarmee weer de winst.
Werkelijke autokosten. De autokostenfictie wordt op dezelfde manier toegepast als bij werknemers, maar met één belangrijke uitzondering. De onttrekking bedraagt maximaal het bedrag van de werkelijke totale autokosten.
Voorbeeld.Frits rijdt in een auto van de zaak met een catalogusprijs van € 25.000. Voor Frits geldt het bijtellingspercentage van 22%. Dat zou neerkomen op een onttrekking van € 5.550. Aan de werkelijke autokosten (inclusief afschrijving) heeft Frits in totaal een bedrag van € 4.750 ten laste van de winst gebracht. De onttrekking vanwege het privégebruik bedraagt daarom maximaal € 4.750 en niet € 5.500.
Geen bijtelling. Als u op jaarbasis niet meer dan 500 km privé rijdt met de auto van de zaak, dan krijgt u geen bijtelling. U gebruikt de auto dan vrijwel alleen zakelijk en voor het woon-werkverkeer. U moet dan wel kunnen aantonen dat u met de auto op jaarbasis niet meer dan 500 km privé rijdt, bijvoorbeeld met een sluitende rittenregistratie.
Toch met de auto op vakantie? Maar wat nu als u toch met de auto op vakantie wilt? Als u daarvoor de auto van de zaak gebruikt, komt u al snel boven de 500 km-grens met de bijtelling als gevolg. Is het huren van een auto een optie?
Het is mogelijk om tijdens de vakantieperiode een vergelijkbare auto via een derde, bijvoorbeeld een autoverhuurbedrijf, te huren. Let op. Het is wel van belang dat de ‘vakantieauto’ privé wordt gehuurd en betaald, omdat er anders toch sprake is van een auto die via uw onderneming aan u ter beschikking wordt gesteld. In dat geval mag er dan met beide auto’s niet meer dan 500 kilometer privé op jaarbasis worden gereden, waardoor een vakantie niet tot de mogelijkheden behoort.
Vergoeding kosten niet mogelijk. Het integraal vergoeden van alle kosten van de ‘vakantieauto’ is niet mogelijk. Gebeurt dit toch, dan gaat de Belastingdienst er immers van uit dat er sprake is van een terbeschikkinggestelde auto, met de bijtelling als gevolg.
Achter slot en grendel. Laat uw auto van de zaak tijdens uw vakantie zodanig achter dat niemand die auto kan gebruiken. Zorg dat de sleutels, etc. netjes worden opgeborgen.
Bijbaantje. Jaarlijks zijn er veel scholieren en studenten in de vakantietijd op zoek naar een baantje. Gebruik dan de speciaal voor dit soort werk bedoelde regeling. U bespaart hen daarmee een hoop onnodig gedoe en het levert ze nog wat op ook. Om welke regeling gaat het?
Studenten- en scholierenregeling. Als u de studenten- en scholierenregeling gebruikt, kunt u bij het berekenen van de in te houden loonheffing uitgaan van een periode van een kwartaal in plaats van het werkelijke loontijdvak. Dit betekent dat u veel minder of helemaal geen loonheffing in hoeft te houden. Dat is voor de student of scholier voordelig, want hij houdt dan netto veel meer over. Ook hoeft hij niet tot na afloop van het jaar te wachten om de ingehouden loonheffing terug te vragen.
Aanvraag indienen. U kunt de regeling alleen toepassen als de student of scholier hierom verzoekt. Houd er rekening mee dat de meeste scholieren en studenten hiervan niet het geringste benul hebben. Let op. Uw vakantiekracht moet het ingevulde formulier bij u inleveren voordat hij begint met werken. Er wordt daarbij ook gevraagd of hij bij nog meer werkgevers werkt. Zo ja, dan kan er namelijk maar bij één werkgever gebruik worden gemaakt van de heffingskorting.
Wat scheelt dat nu? Voor lagere inkomens tot € 20.384 bruto bedraagt de algemene heffingskorting in 2019 € 2.477. Scholieren en studenten die een laag inkomen hebben, betalen daardoor dus geen belasting. Op de te betalen belasting komt immers € 2.477 in mindering, nog afgezien van de arbeidskorting. Zonder toepassing van de regeling moet u op een brutoloon van bijv. € 800 per maand ca. € 73 aan loonheffing inhouden, afgezien van de bedrijfstakinhoudingen. Voor de scholier of student die twee maanden tegen dit loon vakantiewerk bij u verricht, scheelt dit dus per saldo € 146. Voor die doelgroep is dat zeker de moeite waard.
Fiscale aftrekpost. Een belangrijke fiscale aftrekpost is de lijfrentepremie. Dat geldt voor de ondernemer (of dga) die zijn eigen pensioen op wil bouwen of een pensioentekort heeft, zeker nu pensioen opbouwen in een eigen BV niet meer mogelijk is. Tegenover de aftrekpost staat dat de uitkeringen te zijner tijd weer belast zijn. Er spelen echter meerdere factoren mee die van invloed kunnen zijn op het per saldo te behalen voordeel en vaak onbelicht blijven. Een overzicht.
Tariefsvoordeel. Met name als u aftrekt tegen een hoger tarief dan waartegen de uitkering straks belast wordt, profiteert u van een tariefsvoordeel. Vanwege de lagere tarieven voor AOW-gerechtigden, is dit meestal het geval. Deze tarieven zijn wel afhankelijk van eventueel overig ander inkomen in box 1.
Heffingskortingen. Ook heffingskortingen zijn steeds meer inkomensafhankelijk. Dit betekent in 2019 bijvoorbeeld dat u bij aankoop van een lijfrente meer heffingskorting krijgt als uw inkomen daardoor tussen de € 20.384 en € 68.507 komt te liggen. Let op. Een latere uitkering kan dan echter weer tot een lagere heffingskorting leiden.
Zvw-premie. Over de lijfrente-uitkeringen betaalt u te zijner tijd ook Zvw-premie. In 2019 is dit 5,7% tot een maximumjaarinkomen van € 55.923.
Toeslagen. Betaalde lijfrentepremies die u kunt aftrekken, komen ook in mindering op het toetsinkomen. Hierdoor zullen eventuele toeslagen hoger uitvallen. Hier staat tegenover dat de lijfrente-uitkeringen later ook uw toetsinkomen verhogen en dus eventuele toeslagen zullen verlagen.
Invloed box 3. Een opgebouwde lijfrente is, mits u aan de voorwaarden voldoet, ook vrijgesteld in box 3. U betaalt dus over het opgebouwde vermogen geen belasting, in tegenstelling tot bijvoorbeeld over een aandelenportefeuille. Het voordeel van deze vrijstelling is afhankelijk van de omvang van uw vermogen. Hoe meer vermogen u bezit, hoe meer belasting u betaalt in box 3. Dit kan in 2019 oplopen tot 1,68% over uw vermogen in box 3.
Afsluitkosten. Banken en verzekeraars berekenen bij het afsluiten van een lijfrenteverzekering kosten. Dit resulteert in lagere uitkeringen. Vraag daarom verschillende offertes aan.
U kunt via banksparen ook een fiscaal aantrekkelijke aanvulling op uw pensioen creëren. Net als bij een lijfrente moet er een pensioentekort zijn. De inleg bij banksparen is dan aftrekbaar in box 1. Pas bij uitkering van de gespaarde bedragen betaalt u belasting. Het opgebouwde tegoed is vrijgesteld in box 3 wat, afhankelijk van de omvang van uw vermogen, een fors voordeel ten opzichte van gewoon sparen kan betekenen. Banksparen is echter minder flexibel dan gewoon sparen, want u kunt het tegoed niet zomaar opnemen. U moet dit periodiek laten uitkeren, uiterlijk vanaf vijf jaren nadat u recht op AOW krijgt.
Minder risico. Banksparen kent in de regel minder risico’s dan een lijfrente, omdat beleggen niet mogelijk is. Bovendien ontvangt u de overeengekomen bedragen, bij voortijdig overlijden vervalt een overschot aan uw nabestaanden. Anderzijds eindigt een lijfrente-uitkering meestal pas bij overlijden, wat weer voordelig is als u langer leeft.
Indien u goederen verkoopt aan een ondernemer met een btw-identificatienummer in een ander EU-land en deze goederen worden ook daadwerkelijk vervoerd naar een ander EU-land, dan past u het 0%-tarief toe. Er is dan sprake van een ‘intracommunautaire levering’ (ICL). Dit betekent dat u uw klant geen btw in rekening hoeft te brengen. U moet dan wel kunnen aantonen dat de goederen Nederland verlaten hebben.
Let op. Uw klant moet dan wel in het bezit zijn van een geldig btw-identificatienummer. Dit btw-nummer moet u ook op de factuur vermelden. Tip. Controleer altijd het btw-identificatienummer van uw klant. Dit kunt u doen op de website van: http://ec.europa.eu/taxation_customs/vies/Let op. Indien u de goederen ter plaatse installeert of monteert, gelden er andere regels.
Gevolgen? Brengt u 0% btw in rekening en blijkt bij een controle dat het btw-identificatienummer niet geldig is, of kunt u het vervoer niet aantonen? Dan moet u alsnog de btw betalen en eventueel een boete en rente.
Hoe verder? U gaat nu als volgt te werk.
Uitvoer. Ook voor goederen die u vanuit Nederland naar een niet-EU-land exporteert, geldt het 0%-tarief. Het maakt hierbij niet uit of u levert aan een ondernemer of particulier. U moet kunnen aantonen dat de goederen de EU hebben verlaten.
U moet kunnen aantonen dat de goederen daadwerkelijk Nederland c.q. de EU verlaten hebben. Dit moet blijken uit uw administratie. Naast formaliteiten, zoals een aan de buitenlandse afnemer geadresseerde factuur en de betaling uit het buitenland, bewaart u ook alle documenten, etc. die betrekking hebben op het vervoer/de export, zoals:
Klant haalt zelf. Als de klant de goederen bij u ophaalt, wordt het bewijs een stuk moeilijker. U weet immers niet wat er met de goederen gebeurt zodra ze uw bedrijf verlaten hebben. Om het 0%-tarief te kunnen toepassen, moet u evengoed bewijs van het vervoer kunnen leveren. Tip. Gebruik bij vaste buitenlandse klanten een Engelstalige afhaalverklaring. Anders berekent u eerst Nederlandse btw en pas als uw klant u bewijs van vervoer levert, krijgt uw klant een factuur met 0% btw.