“…Doet u waar u goed in bent en laat de rest aan ons over…”
Partneralimentatie is inkomen waarover de ontvanger nog belasting moet betalen. De alimentatiebetaler daarentegen mag de alimentatie als aftrekpost opvoeren voor de inkomstenbelasting.
Let op. Gemaakte afspraken mogen niet vrijblijvend zijn. Leg deze dus vast in een echtscheidingsconvenant of vaststellingsovereenkomst.
Privé aftrekbaar. De ontvanger van de alimentatie mag de kosten die hij of zij maakt om partneralimentatie of een afkoopsom te krijgen of te behouden, aftrekken in de aangifte inkomstenbelasting.
Tip. Hetzelfde geldt voor de kosten van de procedure die heeft geleid tot verhoging van de partneralimentatie. Kosten die betrekking hebben op het bovenstaande, mag de alimentatieontvanger aftrekken. Dit betreft kosten zoals:
Let op. De Belastingdienst kijkt naar de verdeling van de kosten van uw advocaat. Vraag daarom altijd om een duidelijke specificatie bij de factuur waarop de kosten betrekking hebben.
Let op. Alimentatie voor kinderen behoort niet tot het inkomen. Hierover hoeft dus ook geen belasting te worden betaald. Eventuele kosten die zijn gemaakt om die alimentatie te verkrijgen, zijn dan ook niet aftrekbaar.
Niet aftrekbaar. De volgende kosten zijn niet aftrekbaar:
Omdat de beëindiging van een huwelijk een privéaangelegenheid is, zijn de kosten van een advocaat in de meeste gevallen niet zakelijk aftrekbaar. Tip. Dit kan echter anders zijn als de partijen ook zakelijk met elkaar zijn verbonden, zoals via een Vof of maatschap, en de onderneming dus een zakelijk belang heeft in een correcte afhandeling.
Zakelijke belangen? Het deel van de kosten van de advocaat en andere advieskosten die betrekking hebben op het regelen van de zakelijke belangen zijn dan wel aftrekbaar, zo oordeelde Hof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2010:BO4792) reeds in 2010.
Tip. Kosten die gemaakt worden omdat de ondernemers uit elkaar gaan (in dit geval de beëindiging van bijv. de Vof), zijn zakelijk aftrekbaar. Dat de achterliggende reden voor de beëindiging van de Vof ligt in de echtscheiding, maakt dit niet anders.
Facturen. Belangrijk is wel dat er uit de facturen blijkt welke werkzaamheden er zijn verricht. Dus als de werkzaamheden betrekking hebben op de beëindiging van de Vof, dient dit ook duidelijk op de facturen te staan!
Onlangs in het nieuws. Als gevolg van een factsheet van De Nederlandsche Bank (DNB) van enkele jaren geleden, weigert de Rabobank om voortaan betaalde voetbalclubs als klant aan te nemen vanwege een te hoog risico op witwassen, corruptie en fraude.
Belastingstructuren klanten toetsen. In het onlangs door DNB uitgegeven rapport Good practice wordt banken aangeraden de belastingstructuren van hun klanten te gaan toetsen, met als doel om niet alleen belastingontduiking, maar ook belastingontwijking te signaleren. Als een bank van mening is dat een bepaalde structuur niet aan haar standaarden voldoet, dan moet de bank die klant volgens DNB weigeren.
Belastingontduiking is strafbaar. Daar houdt u zich vanzelfsprekend niet mee bezig. Maar belastingontwijking is volkomen legaal. Bij belastingontwijking probeert men binnen de grenzen van de wet de belastingdruk zo veel mogelijk te verlagen. Daarvan is al snel sprake.
Successieplanning. Denk bijv. aan belastingplanning in het schenk- en erfrecht. Door op voorhand tegen het lage tarief jaarlijks te schenken, verlaagt u het te zijner tijd bij uw overlijden verschuldigde erfrecht.
Inbreng in een BV. En wat te denken van het omzetten van uw eenmanszaak in een BV? Niet zelden komt die keuze voort uit het feit dat de belastingdruk privé bij hoge ondernemingswinsten hoger is dan de gezamenlijke belastingdruk van vennootschapsbelasting en dividendbelasting in de BV. Zet u daardoor uw relatie met uw bankier op het spel?
In de hiervoor genoemde gevallen, maar ook in zeer veel andere vaak voorkomende situaties, zal de bank u als ‘gewone’ MKB’er echt niet uitsluiten van hun bancaire diensten.
Wanneer verscherpt toezicht? Het verscherpte toezicht dat DNB wil, ziet vooral op structuren met vestigingen of entiteiten in het buitenland. Denk bijv aan trusts, vestigingen in belastingparadijzen, e.d. Maar ook regelmatige (of incidenteel hoge) geldstromen, al dan niet naar of vanuit het buitenland, hoe legaal ook, kunnen al reden zijn tot vragen van uw huisbankier. Transacties zullen in de toekomst eerder leiden tot vragen van uw bankier.
Afspraken met de Belastingdienst. Maar wat als het afgesproken is met de Belastingdienst? Zelfs als de Belastingdienst uw structuur vooraf heeft getoetst en akkoord heeft verklaard, wil dat volgens het thans gepubliceerde rapport niet zeggen dat ook uw bank deze structuur dan accepteert. DNB stelt dat belastingontwijking heel snel kan overgaan in belastingontduiking en daardoor risico’s met zich meebrengt op het gebied van witwassen, fraude of ander malafide handelen. Voorts, aldus DNB, kan (legale) belastingontwijking wel de reputatie van een bank beschadigen en daardoor afbreuk doen aan het vertrouwen in de financiële sector. U bent dus gewaarschuwd! Tip. Door voldoende uitleg bij uw overleg met de bank kunt u al veel problemen voorkomen.
Zakelijk of privé? Als u als ondernemer bepaalde bedrijfsmiddelen zowel zakelijk als privé gebruikt, kunt u in beginsel zelf kiezen of u ze als ondernemings- of als privévermogen aanmerkt. Bekende voorbeelden zijn de woning van waaruit gewerkt wordt, de computer en ook de auto. Deze keuze moet u maken zodra u het bedrijfsmiddel in gebruik neemt en heeft de nodige fiscale gevolgen. Onlangs heeft Rechtbank Noord-Nederland (ECLI:NL:RBNNE:2019:2939) aangegeven wanneer u een auto als zakelijk vermogen kunt aanmerken en wanneer niet. Wat betekent dit nu?
Gebruikt u bedrijfsmiddelen 10% of meer zakelijk of meer privé, dan bent u in beginsel vrij te kiezen of u het bedrijfsmiddel als zakelijk of als privé aanmerkt. Alleen als u het bedrijfsmiddel niet of nauwelijks (minder dan 10%) zakelijk of privé gebruikt, heeft u die keuzevrijheid niet. Het bedrijfsmiddel is dan verplicht privé of verplicht ondernemingsvermogen. Let op. Voor auto’s is in afwijking hiervan bepaald dat een auto niet als privé kan worden aangemerkt als deze minder dan 500 kilometer privé in het jaar wordt gebruikt. Dit hangt samen met de wettelijke bijtelling vanwege het privégebruik. Die vervalt namelijk wanneer de auto maximaal 500 kilometer privé wordt gebruikt.
Wanneer zakelijk? Voor Rechtbank Noord-Nederland kwam dus de vraag aan de orde wanneer een auto als zakelijk kan worden aangemerkt. Van de ruim 22.000 met de auto afgelegde kilometers was in ieder geval minder dan 10% zakelijk geweest en dus was de inspecteur van mening dat de auto verplicht als privé moest worden aangemerkt. Uw collega was het hiermee niet eens en stelde dat hij meer dan 500 zakelijke kilometers had gereden en vond dat dit het bepalende criterium moest zijn.
De rechter ging mee in de gedachtegang van uw collega en stapte af van de heersende opvatting dat minstens 10% van het aantal kilometers zakelijk moet zijn om de auto als zakelijk aan te kunnen merken. Volgens de rechter is het voldoende als van alle gereden kilometers er ten minste 500 zakelijk zijn geweest. Uw collega kon de auto dus als zakelijk aanmerken en alle autokosten ten laste van de winst brengen. Voor het privégebruik moest hij deze kosten weliswaar verminderen met de bekende bijtelling, maar omdat het een elektrische auto betrof was de bijtelling slechts beperkt in omvang.
De uitspraak betekent dat u een auto sneller als zakelijk kunt aanmerken, namelijk ook wanneer u deze niet minstens 10% zakelijk gebruikt, maar wel minstens 500 kilometer. Dit is vooral gunstig als u veel privékilometers rijdt en zeker als het een elektrische auto met lage bijtelling betreft. Let op. Overigens staat de uitspraak nog niet definitief vast, aangezien de fiscus nog in hoger beroep en in cassatie kan gaan.
Keuze herzien? Heeft u in het verleden uw auto in soortgelijke omstandigheden als privé aangemerkt en wilt u deze keuze herzien, dan kan dit voor zover uw keuze nog geen definitieve fiscale gevolgen heeft gehad. De aanslagen vanaf de aanschaf van de auto mogen dan nog niet definitief vaststaan.
Duurzaam overtollig. Een IB-ondernemer dient op grond van de zogenaamde ‘vermogensetikettering’ te bepalen welke activa en passiva ondernemingsvermogen of privévermogen zijn. Dit geldt ook voor de liquide middelen, zoals de zakelijke banktegoeden en kasgeld. In beginsel heeft u hier de vrije hand in. Deze keuzevrijheid wordt echter beperkt door de grenzen van de redelijkheid. Die grenzen worden overschreden indien de liquide middelen duurzaam overtollig zijn en dus in de onderneming geen enkele functie vervullen. Let op. Duurzaam overtollige liquide middelen zijn verplicht privévermogen.
Wat is de grens? Hoeveel liquiditeiten u als IB-ondernemer tot uw bedrijfsvermogen mag rekenen, is niet zomaar vast te stellen. Per zaak is dit verschillend. Zo dient de aard en omvang (zoals branche, personeel, voorraadbeheer) van de onderneming hierbij in acht te worden genomen.
Onderbouwen. Zolang u goed gedocumenteerd onderbouwt waar u de overtollige liquide middelen voor nodig heeft, is er niets aan de hand. De Belastingdienst mag immers niet op de stoel van u als ondernemer gaan zitten. Let op. De Belastingdienst dient aannemelijk te maken dat er sprake is van duurzaam overtollige liquide middelen. U kunt liquide middelen nodig hebben voor:
Van zakelijk … Het hebben van banktegoeden binnen een onderneming t.o.v. het hebben van banktegoeden in privé kan een belastingvoordeel hebben. Zo betaalt u als ondernemer in 2019 maximaal 51,75% IB over uw winst. De winst is daarbij vrijgesteld met 14% MKB-winstvrijstelling. Per saldo betaalt u dus effectief maximaal 51,75% minus 7,25% (14% van 51,75%) = 44,50% IB.
Voorbeeld.Stel, u heeft € 100.000 zakelijk spaartegoed. Hierover ontvangt u 0,2% rente, dus € 200. Over deze € 200 bent u 44,50% inkomstenbelasting verschuldigd. Dat is € 89.
… over naar privé. Hevelt u het spaartegoed over naar privé, dan wordt het behaalde rendement belast in box 3. U betaalt dan 30% belasting over een verondersteld rendement dat oploopt naarmate uw vermogen groter is. Stel, het belast vermogen is € 69.640 (€ 100.000 -/- € 30.360 heffingsvrijvermogen zonder fiscale partner). U betaalt dan in 2019 30% belasting over een forfaitair rendement van 1,94% van € 69.640 = € 405. Tip. Het is dus van belang om zeker ook niet te weinig liquide middelen in uw onderneming te houden. Tip. Als peildatum geldt 1 januari van het jaar van aangifte. Zakelijk toch nog geld nodig? Boek het dan over voor 1 januari 2020.
Nadeel. Het aanhouden van te veel liquiditeiten in de zaak kan gevolgen hebben voor het vormen van de oudedagsreserve. Die reserve mag door de toevoeging niet uitkomen boven het ondernemingsvermogen. Let op. Liquide middelen die u aanhoudt ter dekking van de oudedagsreserve, dienen het privébelang en hebben geen functie binnen uw onderneming.
Overstap naar BV interessant? Mogelijk is het vanuit fiscaal oogpunt voor u interessant om uw onderneming om te zetten naar een BV of wenst u deze omzetting om uw privéaansprakelijkheid te beperken. Deze mogelijke omzetting kunt u vastleggen in een intentieverklaring of voorovereenkomst. Hoe werkt dat dan?
Intentieverklaring/voorovereenkomst. U maakt gebruik van een intentieverklaring als u in uw eentje een BV gaat oprichten en u stelt een voorovereenkomst op als u met meerdere personen een BV gaat oprichten. In dit artikel wordt er enkel over de intentieverklaring gesproken, maar hetzelfde geldt voor een voorovereenkomst.
Terugwerkende kracht. Door het tijdig opstellen en laten registreren van een intentieverklaring, verkrijgt u het recht om met terugwerkende kracht uw onderneming in te brengen in een BV. Dit betekent dat de resultaten van uw onderneming vanaf 1 januari (of een andere datum) van het betreffende boekjaar aan de BV toegerekend kunnen worden.
Termijnen. De termijnen die u in de gaten moet houden, zijn bij een ruisende inbreng anders dan bij een fiscaal geruisloze inbreng.
Direct met de fiscus afrekenen. Een ruisende inbreng heeft tot gevolg dat u uw onderneming inbrengt voor de werkelijke waarde, waardoor u direct moet afrekenen met de Belastingdienst.
Drie maanden terug. Bij deze variant wordt er aan de intentieverklaring een terugwerkende kracht van drie maanden verleend. Dit betekent dat een overgang per 1 januari 2019 niet meer haalbaar is. Voor dit jaar is het enkel nog mogelijk om de omzetting gedurende het jaar plaats te laten vinden. Let op. Daarnaast moet de oprichting van de BV binnen negen maanden na aanvang van het boekjaar van de BV plaatsvinden.
Inbreng tegen boekwaarde. Bij een geruisloze inbreng brengt u uw onderneming in tegen de boekwaarde en hoeft u niet direct af te rekenen met de Belastingdienst. Let op. Heeft u een fiscale oudedagsreserve, dan valt deze vrij. Hierover bent u inkomstenbelasting verschuldigd.
Voor 1 oktober a.s. De terugwerkende kracht is in deze situatie negen maanden. Hierdoor is een overgang per 1 januari 2019 nog wel mogelijk. De intentieverklaring moet dan voor 1 oktober 2019 geregistreerd worden. Let op. Verder geldt dat de BV binnen 15 maanden opgericht moet worden, met andere woorden: voor 1 april 2020.
Registreren. De Belastingdienst verleent enkel met terugwerkende kracht als de intentieverklaring met het zogenoemde ‘geleideformulier’ aangetekend aan de Belastingdienst wordt verstuurd.
Toch geen BV? Maar wat als u na het opstellen van de intentieverklaring uw onderneming toch niet meer wilt inbrengen in een BV? Geen probleem, de intentieverklaring verplicht u tot niets. Het geeft u enkel de mogelijkheid om uw onderneming in te brengen in een BV.
Hoe zat dat ook alweer? Ondernemers in de inkomstenbelasting (IB) hebben recht op de zelfstandigenaftrek. Daarvoor is onder meer vereist dat u minstens 1.225 uren in uw bedrijf werkt. De aftrek bedraagt € 7.280 en komt in aftrek op de winst. Onlangs kwam voor Rechtbank Noord-Nederland (ECLI:NL:RBNNE:2019:1925) de vraag aan de orde of een ondernemer er ook voor kan kiezen de zelfstandigenaftrek niet toe te passen als hem dit beter uitkomt. In de betreffende zaak had uw collega in een jaar geïnvesteerd en wilde op deze investeringen versneld afschrijven om zo de winst fors te verlagen. Versneld afschrijven is mogelijk voor startende ondernemers. Daarnaast kan op sommige milieuvriendelijke investeringen ook versneld worden afgeschreven.
Vijf jaar ondernemer? Wettelijk is bepaald dat iemand voor het versneld afschrijven als starter wordt aangemerkt als hij recht heeft op de verhoogde zelfstandigenaftrek voor starters. Hiervoor is vereist dat iemand in een of meer van de voorgaande vijf jaren geen ondernemer was en er in deze periode niet meer dan twee keer de zelfstandigenaftrek is toegepast. De fiscus had de zelfstandigenaftrek in deze periode al vaker toegepast en was van mening dat men hier achteraf niet zomaar van af kan zien. De aanslagen over deze jaren stonden bovendien al vast en dus was er geen beroep meer mogelijk. De rechter sloot zich hierbij aan en hoefde zich dus niet uit te laten over de vraag of de zelfstandigenaftrek een keuzemogelijkheid kent.
Wettelijk bepaald. De zelfstandigenaftrek is wettelijk vastgelegd, evenals de hiervoor geldende eisen. Het lijkt dan ook logisch dat er geen keuze is om de aftrek achterwege te laten. Dat dit in het onderhavige geval slecht uitpakte voor uw collega, kan daaraan niets afdoen. Tip. Wilt u de zelfstandigenaftrek niet benutten terwijl u daar wel recht op heeft, dan kan dit alleen door bewust niet aan de vereisten te voldoen, bijv. door in het jaar ervoor te zorgen dat er niet het vereiste aantal van 1.225 uren in het bedrijf wordt gewerkt. Dit vereist de nodige planning vooraf en niet achteraf, zoals uw collega probeerde.
Verdelen. Voorheen werd er vaak het advies gegeven om bij meerdere kinderen na echtscheiding minimaal één kind in te schrijven bij ieder van de ouders. Zo kon er optimaal gebruik worden gemaakt van de alleenstaande-ouderkorting, een heffingskorting in de inkomstenbelasting. Deze alleenstaande-ouderkorting bestaat niet meer. Extra geld komt nu via het kindgebonden budget (KGB). Moet u nu wel of niet kinderen administratief over beide co-ouders verdelen?
Verschillende regelingen. Het antwoord op deze vraag is sterk afhankelijk van uw specifieke situatie. Per regeling verschillen de gevolgen. Daarom zullen wij in dit artikel per regeling de regels en tips behandelen.
Verdelen. Allereerst heeft u als ouder recht op kinderbijslag. Deze wordt uitbetaald aan de ouder bij wie het kind staat ingeschreven. Door uw kinderen over twee adressen te verdelen, verdeelt u dus ook direct de kinderbijslag.
Niet voordeligste. Dit geldt in principe ook voor het KGB. De ouder die kinderbijslag voor het kind ontvangt, heeft ook recht op deze toeslag. Dit is echter niet altijd het voordeligste. De hoogte van het KGB wordt namelijk bepaald aan de hand van het inkomen en vermogen. Tip. Hierdoor is het veelal voordeliger om de kinderen allemaal in te schrijven bij de ouder met het laagste inkomen/ vermogen.
Proefberekening. U kunt op https://www.belastingdienst.nl/toeslagen een proefberekening maken. U kunt dan bepalen welke keuze voor u beiden de meest voordelige is.
Kinderopvangtoeslag. Als uw kinderen nog naar de opvang gaan, dan heeft u recht op kinderopvangtoeslag (KOT). U moet als co-ouders schriftelijk aan de Belastingdienst melden dat u bent gescheiden. Vervolgens kan er KOT worden aangevraagd en worden verdeeld over beide co-ouders, mits de kinderen minimaal drie dagen per week bij die ouder verblijven. Tip. Ook hierbij geldt dat u een hogere kinderopvangtoeslag krijgt naarmate uw inkomen lager is.
Belastingkorting. Ten slotte nog uw aangifte inkomstenbelasting. Uw co-ouderschap komt hierin terug in de vorm van de inkomensafhankelijke combinatiekorting (ICK). Op voorwaarde dat uw kind nog geen twaalf jaar oud is en u werkt, heeft u recht op een behoorlijke belastingkorting. Let op. Voor co-ouders geldt als extra voorwaarde dat het kind doorgaans minimaal drie dagen per week bij de ouder moet verblijven. Een gelijkwaardige verdeling zorgt er dus voor dat beide co-ouders hierop aanspraak kunnen maken.
| Wie? | Inkomensafhankelijk? | |
| Kinderbijslag | Ouder waarbij kind staat ingeschreven | Nee |
| KGB | Ouder waarbij kind staat ingeschreven | Ja |
| KOT | Ouder waar kind minimaal drie dagen per week verblijft | Ja |
| ICK | Ouder waard kind minimaal drie dagen per week verblijft | Ja |
Bijtelling privégebruik. Voor de auto van de zaak heeft u met de bekende bijtelling te maken. Deze is voor nieuwe auto’s in 2019 22%, of als de auto volledig elektrisch is 4% over de eerste € 50.000 cataloguswaarde en 22% over de rest. Ook gelden er voor auto’s die voor 2019 voor het eerst op kenteken zijn gezet vaak andere percentages. Wisselt u in de loop van 2019 van auto, dan is de regeling in beginsel hetzelfde. Het gaat echter vaak fout als dan een van de auto’s niet of nauwelijks privé is gebruikt. Wat is dan het risico?
Wettelijk is er bepaald dat u aan de bijtelling ontkomt als u de auto niet meer dan 500 kilometer per jaar privé gebruikt. Voor de auto die dus gebruikt wordt voor zakelijke ritten en woon-werkverkeer, en daarnaast niet of nauwelijks privé, heeft u niet met de bijtelling te maken. Let op. Daarbij maakt het echter verschil of u in het jaar over één auto de beschikking had of dat u in de loop van het jaar van auto bent gewisseld.
Eén auto ter beschikking. Heeft u in het jaar de beschikking over één auto, dan geldt de grens van 500 kilometer voor die auto en wordt deze grens evenredig toegepast indien u de auto slechts een deel van het jaar ter beschikking had. Kreeg u bijvoorbeeld pas per 1 juli 2019 de beschikking over een auto van de zaak, dan wordt de grens van 500 kilometer evenredig toegepast. Dat wil zeggen dat u met de auto in 2019 niet meer dan 250 privékilometers mag afleggen.
Wisselt u in de loop van het jaar van auto en had u bijvoorbeeld van januari tot en met juni de beschikking over een auto en vanaf juli over een andere auto, dan geldt de grens van 500 kilometer voor beide auto’s samen. Tip. Het heeft dan geen zin als u een van de auto’s alleen zakelijk gebruikt om aan de bijtelling te ontkomen, als u de andere auto wel gewoon privé gebruikt. U komt dan immers met beide auto’s samen over de grens van 500 kilometer heen en dus krijgt u voor beide auto’s de bijtelling, ondanks het feit dat u de ene auto niet of nauwelijks privé gebruikt.
Voorbeeld.U heeft van januari tot en met oktober de beschikking over een auto met een cataloguswaarde van € 40.000 en een bijtelling van 22%. Vanaf november heeft u de beschikking over een elektrische auto van € 50.000 met een bijtelling van slechts 4%. Vanwege de hoge bijtelling gebruikt u de eerste auto niet privé, de tweede wel. Bijtelling: € 40.000 x 22% x 10/12 + € 50.000 x 4% x 2/12 = € 7.333 + € 333 = € 7.666.
Het gegeven voorbeeld toont aan dat u moet opletten als u in het jaar van auto wisselt en vanwege het voorkomen van een hoge bijtelling één van de auto’s niet privé gebruikt. Ook als u dit met een rittenadministratie kunt bewijzen, ontloopt u de bijtelling niet over beide auto’s. Stel dat u in het voorbeeld in de maanden november en december de elektrische auto 2.000 km privé heeft gebruikt, dan bedraagt de bijtelling hiervoor dus € 3,83 (€ 7.666 / 2.000) per kilometer! Tip. In deze gevallen is het veel voordeliger het privégebruik van de elektrische auto dat jaar nog te beperken tot 500 km en desnoods voor privéritten een auto te huren.
Niet btw-plichtig. Als ondernemer doet u waarschijnlijk ook wel eens zaken met ondernemers die de btw niet kunnen aftrekken (bijvoorbeeld ondernemers die gebruikmaken van de kleineondernemersregeling of vrijgestelde ondernemers, zoals mensen met een medisch of paramedisch beroep). Betekent het feit dat deze ondernemers de btw niet kunnen aftrekken dan ook dat u de btw niet in rekening hoeft te brengen en ook niet hoeft af te dragen? Deze vlieger gaat helaas niet op.
Met btw. Als ondernemer moet u een factuur uitreiken bij leveringen of diensten aan andere ondernemers. Binnen de btw speelt de factuur een belangrijke rol. De factuur vermeldt het bedrag dat de leverancier aan btw in rekening brengt (en ook moet afdragen). Voor de afnemer is de factuur een soort waardepapier dat het recht op aftrek van de aan hem in rekening gebrachte btw belichaamt. Let op. Niet alle ondernemers kunnen de btw in aftrek brengen, maar ook dan bent u verplicht een factuur uit te reiken die aan alle eisen voldoet, met dus ook het btw-bedrag correct vermeld.
Op de factuur moeten de volgende gegevens staan:
Tip. Bij een factuurbedrag van € 100 of lager (inclusief btw) hoeven er minder gegevens te worden vermeld. Een kassabon volstaat dan al vaak.
Als ondernemer bent u verplicht een administratie te voeren. U moet hierin in ieder geval de volgende gegevens opnemen:
Let op. De Belastingdienst kan ‘nare’ gevolgen verbinden aan het ‘kwijtraken’ van stukken.
Hoe bewaren? De Belastingdienst schrijft voor dat u alle gegevens in de originele vorm bewaart. Dus een factuur die u op papier ontvangt, bewaart u in de papieren versie. Komt een factuur digitaal binnen, dan bewaart u deze digitale factuur. Natuurlijk mag u de gegevens daarnaast ook in een andere vorm bewaren. U kunt alle papieren gegevens digitaliseren of alle digitale gegevens printen. Tip. Dien hiervoor dan een verzoek in bij de Belastingdienst.
Jaarlijks kosten diverse vormen van diefstal ondernemers vele honderden miljoenen euro’s. Hoe kunt u deze schade beperken en zijn de kosten ook aftrekbaar? Wat moet u weten?
Het is helaas slechts een doekje voor het bloeden, maar de kosten van diefstal zijn in beginsel fiscaal aftrekbaar. Als er geld en/of goederen zijn ontvreemd, komt dit ten laste van de winst en betaalt u dus minder belasting. Daarbij is het wel van belang dat u zorgt voor een zo goed mogelijke bewijslast, want anders zou het zo maar kunnen zijn dat de fiscus ervan uitgaat dat u zelf goederen of een deel van de opbrengst van uw bedrijf buiten de kassa heeft gehouden. Dit zal met name spelen als de kosten van diefstal bij u bovenmatig zijn. Zijn hiervoor goede redenen, dan zal de fiscus niet moeilijk doen, bijvoorbeeld als u gevestigd bent in een minder goede buurt of weinig doet aan preventie. Ook dit moet dan aantoonbaar zijn.
Bewijslast? Bij diefstal is het van belang dat u aangifte doet bij de politie. Om te beginnen is dit vaak een eis van uw verzekeraar, maar aangifte is ook aan te bevelen als u niet verzekerd bent of geen schade claimt vanwege het eigen risico of een hogere premie. Zo maakt u immers aannemelijk dat er sprake is van diefstal. Tip. Ook fiscaal kunnen beelden van bewakingscamera’s hieraan bijdragen. U dient immers aannemelijk te maken dat de kosten ook daadwerkelijk gemaakt zijn.
Als er goederen worden ontvreemd, kunt u de daarop betaalde btw toch gewoon terugvragen aan de fiscus. De ontvangen tegenprestatie is namelijk nihil, dus uw schade is de inkoopprijs excl. btw. Wordt er geld ontvreemd, dan speelt de btw geen rol.
Diefstal door personeel. Bij diefstal door personeel is het eveneens van belang dat u dit aannemelijk kunt maken. We mogen ervan uitgaan dat u het betreffende personeelslid heeft ontslagen of anderszins ervoor heeft gezorgd dat herhaling zich niet meer voordoet. Tip. Bewaar eventuele brieven inzake ontslag en stukken van het overleg met adviseurs of uw advocaat, zodat ook nu de gemaakte kosten aannemelijk zijn.
Met name bij winkeldiefstal komt het vaak voor dat de schade wordt verhaald op de dader, indien deze betrapt wordt. Dit gebeurt onder andere via de onafhankelijke stichting ‘Afrekenen met Winkeldieven’ ( https://afrekenenmetwinkeldieven.nl/ ). Als winkelier kunt u via de stichting een schade van € 181 laten verhalen op een winkeldief. Pas na betaling wordt hiervan € 41 verrekend met uw claim, zodat u dus € 140 overhoudt in verband met de gemaakte kosten, zoals de tijd die u met een winkeldiefstal kwijt bent. Let op. De ontvangen € 140 is bij u wel belast voor de winstbelasting, net zo goed als de door u gemaakte kosten ook ten laste van de winst komen.
Kosten preventie. Ook kosten van preventie, zoals bewakingscamera’s, komen ten laste van de winst, net zoals de premie die u aan uw verzekeraar betaalt als u zich verzekert tegen winkeldiefstal. Keert na een diefstal uw verzekeraar de schade uit, dan valt dit bedrag weer in de winst en is dus belast.