“…Doet u waar u goed in bent en laat de rest aan ons over…”

Administratieve eindejaarstips voor 2019

Einde van het jaar, een top 3

Geld besparen. Voordat u uw boekhouding over 2019 inlevert bij uw boekhouder, controleert u eerst of alles compleet is. Dit scheelt uw boekhouder tijd en u dus geld. Wat kunt u zelf al regelen?

1. Dubieuze debiteuren. Als het vermoeden bestaat dat uw klanten (debiteuren) hun schuld niet of slechts gedeeltelijk zullen, kunnen of willen betalen, dan mag u hiervoor een voorziening op de balans (laten) zetten. Blijkt uw klant later inderdaad niet te betalen, dan wordt de vordering afgeboekt op deze voorziening. Tip. De toevoeging aan de voorziening mag u aftrekken van uw winst in 2019. Door een voorziening ‘dubieuze debiteuren’ verplaatst u als het ware het tijdstip waarop u het verlies neemt. Vraag dus een debiteurenlijst op bij uw boekhouder en loop deze na.

Voorwaarden? Hiervoor gelden voorwaarden:

  • u waardeert naar een redelijk oordeel;
  • u beoordeelt dit per balansdatum;
  • u beoordeelt dit per klant (bij een grote omvang mag u ook een ervaringscijfer gebruiken).

Let op. U moet kunnen aantonen dat uw voorziening op die specifieke debiteur niet uit de lucht gegrepen is, kortweg: hoe beter u documenteert, hoe beter het is. Denk hierbij aan e-mailverkeer, aangetekende brieven, aanmaningen, e.d.

Ervaringscijfers. Een combinatie van individuele en collectieve procentuele ervaringscijfers van debiteuren is toegestaan. De hoogte van de voorziening moet berusten op ervaringscijfers met betrekking tot de oninbaarheid van vorderingen. U moet dit kunnen onderbouwen!

2. Privé betaald. Het kan zijn dat u bepaalde zakelijke kosten via uw privébankrekening heeft betaald. Denk hierbij aan telefoonkosten, internetkosten, abonnementen of misschien wel assurantiepremies. Loop daarom uw privébankafschriften na op eventuele zakelijke kosten. Tip. Check ook of u de facturen van deze kosten in uw boekhouding heeft zitten.

3. Tussenrekeningen. Op de balans staan de zogenaamde ‘tussenrekeningen’. Gedurende het jaar worden op deze tussenrekeningen zaken geboekt, zoals posten die reeds betaald zijn, posten die nog betaald moeten worden of posten die nog uitgezocht moeten worden. Het is de bedoeling dat het saldo van iedere tussenrekening uiteindelijk op nul uitkomt. Let op. Tussenrekeningen die op het einde van het jaar niet op nul uitkomen en een saldi hebben, moet u kunnen verklaren.

Voorbeelden van tussenrekeningen. Dit zijn:

  • vooruitbetaalde kosten. Op deze grootboekrekening boekt uw boekhouder de kosten die betrekking hebben op het volgende jaar (2020), maar waarvan u in het lopende jaar (2019) reeds de factuur heeft ontvangen;
  • nog te betalen kosten. Op deze grootboekrekening boekt uw boekhouder de kosten die betrekking hebben op het lopende jaar (2019) maar waarvan u pas in 2020 de factuur gaat ontvangen;
  • vraagposten. Op deze grootboekrekening boekt uw boekhouder alle zaken waarmee hij ten tijde van de boeking geen raad wist of waarvan de factuur ontbrak. Tip. Vraag een lijst met tussenrekeningen op bij uw boekhouder, zodat u geen aftrekposten mist en de eventuele btw-aftrek veiligstelt.
Vraag bij uw boekhouder een grootboekuitdraai (stand van zaken) van uw debiteuren, tussenrekeningen en vraagposten op. Deze posten moeten namelijk op nul uitkomen. Check zelf of u mogelijk privé betalingen heeft verricht die betrekking hebben op uw bedrijf (abonnement, internet, verzekeringspremies). bron:indicator

Voorraadopname eind van het jaar?

Voorraadopname. De waardering van de voorraad heeft gevolgen voor de winst en dus ook voor de te betalen inkomstenbelasting. De belastingwet bepaalt dat u uw winst moet berekenen volgens ‘goed koopmansgebruik’, dus dat u de waarde van uw voorraad aan het einde van het boekjaar zo reëel mogelijk dient te verwerken op uw balans.

Hoe controleert u de voorraad?

U controleert de voorraad door simpelweg de voorraad te tellen. Dat lijkt eenvoudig. U kunt hiervoor gebruikmaken van een tellijst. Tip. Het makkelijkst is het om de tellijst in te delen volgens de route waar u de voorraad heeft opgeslagen in uw onderneming. Heeft u op drie plekken dezelfde artikelen staan, dan noteert u dat zo op de tellijst. Dit gaat snel en zo maakt u minder fouten.

Aangebroken voorraad? Indien u voorraad heeft die is aangebroken, telt u wat er te tellen is en schat u de rest. Tip. Een ezelsbruggetje wat u hierbij kunt hanteren is: halfvol telt als één eenheid en minder dan de helft vol telt als geen voorraad. U dient hier wel consequent in te zijn! Let op. Ook emballage en statiegeld behoren tot de voorraad, hetzij vol, aangebroken of leeg. Dit wordt nog wel eens vergeten!

Als u twijfelt tegen welke waarde

Er zijn verschillende waarderingsmethodes:

  • waardering op kostprijs;
  • waardering op kostprijs of lagere (inkoop)marktwaarde. Tip. Dit is de meest gehanteerde methode van voorraadwaardering;
  • ijzeren voorraadstelsel. De voorraad wordt gewaardeerd tegen een ‘ijzeren’ prijs. Dit is een prijs die over een langere periode niet wordt aangepast;
  • lifo-stelsel (last in, first out);
  • fifo-stelsel (first in, first out).

Fifo. Indien u het fifo-stelsel hanteert, waardeert u de voorraad tegen de kostprijs van de voorraad die het eerst verworven is.

Let op. Als u eenmaal voor een methode heeft gekozen, dan dient u deze methode de volgende jaren ook te gebruiken (de bestendige gedragslijn). U mag alleen van methode wisselen als ‘goed koopmansgebruik’ dit rechtvaardigt, dus niet als het u alleen te doen is om belastingvoordeel.

Waardering op kostprijs. Goederen die u ingekocht heeft, waardeert u tegen de verkrijgingsprijs. Deze bestaat uit de inkoopprijs en de bijkomende kosten, zoals transportkosten of invoerrechten. Goederen die u in uw eigen onderneming heeft voortgebracht, waardeert u tegen de vervaardigingsprijs. Dit zijn de aanschafkosten van de gebruikte grond- en hulpstoffen en de overige kosten die rechtstreeks aan de vervaardiging zijn toe te rekenen, zoals de overige productiekosten.

IJzeren voorraadstelsel. Als u het ijzeren voorraadstelsel hanteert en de werkelijke voorraad (gemeten in goederen) is groter dan de ijzeren voorraad, dan moet u het verschil waarderen tegen de historische aanschafprijs of lagere marktinkoopprijs, maar altijd tegen de laagste van deze twee prijzen. Is de werkelijke voorraad (gemeten in goederen) minder dan de ijzeren voorraad, waardeer dan het verschil op de actuele kostprijs.

Vergeet aangebroken voorraad en emballage niet! Een ezelsbruggetje: halfvol telt als één eenheid en minder dan de helft vol telt als geen voorraad. U dient hier wel consequent in te zijn, dus niet steeds veranderen om eenmalig belastingvoordeel te behalen. Waarderen tegen kostprijs wordt het meest gehanteerd. bron:indicator

Wijzigingen jeugd-LIV en lage-inkomensvoordeel 2020

Werknemers met een laag loon? Als u werknemers in dienst heeft met een laag loon, heeft u wellicht recht op een speciale tegemoetkoming in de loonkosten: het lage-inkomensvoordeel (LIV). Dat geldt ook voor jongeren, waarvoor u een tegemoetkoming in de vorm van het jeugd-LIV kunt krijgen. Deze regelingen gaan op 1 januari 2020 veranderen. Wat betekent dit voor u?

Wanneer recht op het LIV?

Voor het recht op LIV is met name van belang dat uw werknemer niet meer verdient dan 125% van het wettelijk minimumloon (WML). Voor werknemers die tussen de 100 en 110% van het WML verdienen, is de tegemoetkoming het hoogst, namelijk € 1,01 per verloond uur met een maximum van € 2.000 per werknemer per jaar.

2019. Voor 2019 moet het uurloon dan liggen tussen € 10,05 en € 11,07. Voor werknemers met een uurloon van € 11,08 tot en met € 12,58 is de tegemoetkoming de helft, oftewel: € 0,51 per verloond uur met een maximum van € 1.000 per jaar.

Let op. Behalve dat de werknemer niet meer dan de genoemde bedragen mag verdienen, is van belang dat hij ook minstens 1.248 verloonde uren per jaar heeft. Bij minder uren vervalt de tegemoetkoming.

Wat moet u ervoor doen? Dat betekent dat wanneer u recht heeft op de tegemoetkoming, u deze bedragen automatisch krijgt uitbetaald. Voorwaarde is wel dat uw loonaangiften kloppen, want hierop wordt het recht op de tegemoetkoming gebaseerd. U ontvangt de tegemoetkoming ongeveer half september van het jaar dat volgt op het jaar waarin u recht hierop heeft.

Wat wijzigt er per 2020?

Vanaf 2020 is er nog maar één tegemoetkoming en wel die van € 0,51 per verloond uur. Dit geldt voor alle werknemers met een uurloon tussen de 100 en 125% van het WML. Hoe hoog dit precies is, hangt af van de nieuwe bedragen voor het WML per 1 januari. Ook geldt er nog maar één maximum van € 1.000 per werknemer per jaar aan tegemoetkoming. De maatregel betekent dus dat u voor werknemers met een uurloon tussen de 100 en 110% van het WML € 0,50 per uur van de tegemoetkoming kwijt bent. Dat lijkt wellicht weinig, maar als uw personeel met name in deze inkomenscategorie valt, betekent het wel dat uw loonkosten met zo’n 5% kunnen stijgen.

Ook lager jeugd-LIV. Ook voor het jeugd-LIV is met name van belang dat de werknemer een uurloon verdient dat niet te veel boven het minimumjeugdloon ligt. Het jeugd-LIV bedraagt voor 2019 nog maximaal € 0,91 per uur en € 1.892,80 per jaar. Ook deze bedragen gaan in 2020 omlaag. Hoeveel precies is nog niet bekend.

Rekening houden met wijzigingen?

Voor u is van belang zo mogelijk rekening te houden met bovenstaande wijzigingen. Werknemers met een loon tot 110% van het WML worden namelijk fors duurder, voor zover u op dit moment recht heeft op het LIV. Daarnaast worden ook jeugdige werknemers duurder, al is nu nog niet bekend hoeveel. Dit kan betekenen dat u zich bij het aannemen van nieuwe werknemers niet meer of minder specifiek op deze groepen richt. Ook kunt u proberen uw loonkosten met betrekking tot deze groep werknemers op een andere wijze te beperken, teneinde deze in 2020 niet te veel te laten stijgen.

Werknemers met een uurloon tot 110% van het wettelijk minimumloon worden in 2020 duurder vanwege een lager LIV. Ook voor jeugdigen met een laag loon stijgen in 2020 uw loonkosten. Overweeg bij het aannemen van personeel of u zich vanwege de extra kosten nog specifiek op deze groepen wilt richten. bron:indicator

Uitsluitingsclausule in testament opnemen?

Notaris. Voor huwelijken van voor die datum blijft de oude regeling van kracht dat een schenking of erfenis gemeenschappelijk vermogen is. Als u dat niet ziet zitten, kunt u bij uw voorkeursnotaris in uw testament een ‘uitsluitingsclausule’ opnemen. Daarin wordt bepaald dat al hetgeen door een erfgenaam wordt verkregen, alsmede de vruchten daarvan en al hetgeen daarvoor in de plaats treedt, uitsluitend tot het privévermogen van de erfgenaam blijft behoren. In geval van bijv. echtscheiding hoeft dat bedrag niet te worden gedeeld met de ex-partner.

Via een uitsluitingsclausule in uw testament zorgt u ervoor dat de erfenis die wordt verkregen privévermogen blijft van het eigen kind. Dat geldt ook voor de verkoopopbrengst van die goederen. bron:indicator

Lage WW-premie voor kleine parttimebanen en BBL’ers

2020 sectorindeling niet meer relevant

In plaats van een premie die afhankelijk is van de sector waarbinnen uw bedrijf is ingedeeld door de Belastingdienst, is er voor alle bedrijven een hoge of een lage premie verschuldigd.

Lage premie. Een lage premie (voorlopig 2,94%) geldt voor de gewone werknemer die een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft, die schriftelijk is vastgelegd en waarop een duidelijk aantal uren staat. Daarnaast mag u ook voor enkele bijzondere werknemers onder voorwaarden de lage WW-premie toepassen, namelijk voor BBL’ers en werknemers onder de 21 jaar die in een aangifteperiode weinig werken.

Verschil hoog en laag? Het is de moeite waard zo veel mogelijk gebruik te maken van de lage premie, omdat het verschil tussen de hoge en lage premie op basis van de voorlopige cijfers kan oplopen tot zo’n € 2.800 per werknemer per jaar (de hoge premie van 7,94% is 5% hoger dan de lage premie). Zorg dus dat u waar mogelijk aan de voorwaarden voor de lage premie voldoet.

BBL’er? De lage premie geldt wanneer de werknemer een BBL-opleiding (basisberoepsbegeleidende leerweg) volgt en er een schriftelijke en gedagtekende praktijkovereenkomst is opgenomen in uw administratie.

Let op. U kunt uitsluitend een praktijkovereenkomst afspreken als uw bedrijf een erkend leerbedrijf is! Tip. Als u met een BBL’er naast de praktijkovereenkomst ook een arbeidsovereenkomst heeft (een afspraak waarbij de nadruk ligt op werken en niet op opleiding), dan mag u de lage premie ook voor werkzaamheden op grond van de arbeidsovereenkomst toepassen.

Heeft u een jongere die beperkt werkt?

Heeft u een werknemer van jonger dan 21 jaar in dienst die minder werkt dan 52 uur als u aangifte doet per maand of minder dan 48 uur als u aangifte doet per kalendermaand? Dan mag u voor deze jongere in deze periode ook de lage premie toepassen. Het maakt daarbij niet uit of deze uren in een week of bijv. verspreid over de hele maand gemaakt worden. Werkt de jongere in een aantal periodes wel meer dan het maximumaantal uren, dan geldt in die periodes de hoge premie. In de aangifteperiodes dat de werknemer onder het maximum is gebleven, blijft echter de lagere premie van toepassing. Tip. Heeft u meerdere werknemers van onder de 21 in dienst? Probeer deze dan dus maximaal 48 uur (bij vierwekenaangifte) of 52 uur (bij maandaangifte) te laten werken.

Voorbeeld.U heeft in 2020 drie werknemers van 20 jaar. Zij verdienen bruto € 7,80 per uur. U heeft voor 160 uur werk in een aangifteperiode (maand). Als u het werk gelijk verdeelt over de werknemers maken zij allemaal 53,33 uur. Hun brutoloon per maand bedraagt dus afgerond € 416. Op alle drie is dan de hoge premie (voorlopig 7,94%) van toepassing. Het aantal uren is immers boven het maximum voor het lage tarief. Uw kosten WW-premie bedragen voor die periode dus 3 x € 416 (loon) x 7,94% (hoge premie), is dus ruim € 99 voor de drie werknemers. Verdeelt u het werk zo dat er twee in de periode 51 uur werken en één 58 uur, dan wordt dit anders. Voor die twee betaalt u dan 2 x 51 (uur) x € 7,80 (loon) x 2,94% (lage WW-premie), afgerond € 23. Voor de werknemer die 58 uur werkt, betaalt u 58 x € 7,80 x 7,94% is € 36. Uw voordeel door deze urenverdeling is dus per maand bijna € 40 (immers € 59 in plaats van € 99).

Heeft u jongeren onder de 21 jaar in dienst? Probeer door een slimmere urenverdeling zo veel mogelijk uren onder het lage WW-tarief onder te brengen! Dat bespaart u op jaarbasis bij bijv. drie werknemers van 20 jaar al gauw afgerond zo’n € 500. bron:indicator

Wat mag mijn partner in 2020 belastingvrij verdienen?

De een onderneemt, de ander niet …

In het MKB werken veel echtparen en partners samen in het bedrijf. Vaak als meewerkende partner, maar veelvuldig ook als medeondernemer. Een andere mogelijkheid is dat uw partner gewoon in loondienst is en een inkomen verdient. Vanaf welk niveau moet hij of zij er dan rekening mee houden dat ook de fiscus een deel ervan opeist? Hoeveel is dat dan en waar hangt dit allemaal van af?

Belast bij verdienende partner. De tijd dat het inkomen van de ene partner bij dat van de andere partner werd geteld, is al lang voorbij. Looninkomsten, inkomsten uit freelancewerkzaamheden of uit een eigen onderneming zijn gewoon bij degene belast die dit inkomen verdient. Over die inkomsten betaalt men belasting na aftrek van heffingskortingen en mogelijke aftrekposten.

Heffingskortingen. Wie werkt, heeft in beginsel recht op de algemene heffingskorting en op de arbeidskorting. De algemene heffingskorting bedraagt dit jaar maximaal € 2.477 en volgend jaar maximaal € 2.711. De arbeidskorting is dit jaar maximaal € 3.399 en volgend jaar maximaal € 3.819. Er mag nogal wat verdiend worden voordat er belasting betaald moet worden, omdat het belastingtarief in de eerste schijf dit jaar 36,65% bedraagt en volgend jaar 37,35%. Alleen al door de algemene heffingskorting is dit in 2020 € 7.258.

Aftrekposten. Partners die zelf geen ondernemer zijn, hebben ook geen recht op de speciale faciliteiten voor ondernemers, zoals de zelfstandigenaftrek. Freelancers hebben soms wel recht op 14% MKB-winstvrijstelling. Dat geldt ook voor ondernemers die in een jaar minder dan 1.225 uren in hun bedrijf werken. Deze moeten wel zelf Zvw-premie betalen, maar van hun inkomsten mogen gemaakte kosten weer wel worden afgetrokken. Dat geldt weer niet voor degenen met looninkomsten, met uitzondering van de reisaftrek voor degenen die met het openbaar vervoer naar het werk reizen. Bij loon betaalt de werkgever de Zvw-premie.

Overige aftrekposten. Daarnaast zijn er nog aftrekposten die partners onderling vrij kunnen verdelen. Denk met name aan de aftrek van hypotheekrente in verband met de eigen woning, zorgkosten en alimentatie. In het algemeen is het lucratief om deze aftrekposten ten laste van het hoogste inkomen te brengen, omdat er dan gezamenlijk zo min mogelijk belasting hoeft te worden betaald.

Een mondvol, wat nu concreet?

Partner geen ondernemer. Is uw partner geen ondernemer, dan is de vraag vanaf welk inkomen er belasting betaald moet worden. Dit hangt met name af van hoeveel heffingskortingen uw partner heeft en welk deel van de aftrekposten ten laste van zijn of haar inkomen wordt gebracht.

Hoeveel onbelast verdienen? Als we dit laatste op nihil stellen en uitgaan van alleen de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, betekent dit dat er dit jaar tot een bedrag van bijna € 595 per maand kan worden verdiend zonder dat er belasting hoeft te worden betaald. Volgend jaar is dit bijna € 660, zo’n € 65 per maand meer. Het beeld wordt anders als er meerdere heffingskortingen in het spel zijn of aftrekposten. Een aftrekpost van € 1.000 betekent, afgezien van eventuele drempels waardoor een deel van de aftrek weer verloren gaat, dat er € 1.000 extra verdiend mag worden voordat er aan belastingheffing wordt toegekomen.

Is uw partner geen ondernemer, houd er dan rekening mee dat hij of zij dit jaar in loondienst zo’n € 7.140 kan bijverdienen zonder belasting te betalen en in 2020 zo’n € 7.920. Deze bedragen vallen hoger uit als er aftrekposten in het spel zijn. bron:indicator

Heffing box 3 niet eerder aangepast

  • een aanzienlijke verlaging van het fictieve rendement op spaargeld; en
  • de invoering van een belastingkorting.

Fictief rendement blijft uitgangspunt. De staatssecretaris heeft echter aangegeven dat dit vanuit praktisch oogpunt niet mogelijk is. De genoemde aanpassingen staan nu gepland voor 2022. Ook een heffing in box 3 op basis van het werkelijk behaalde rendement zal niet binnenkort plaatsvinden. Het huidige systeem waarbij er wordt uitgegaan van een fictief rendement, zal dus voorlopig blijven bestaan.

De plannen om vanaf 2022 het fictieve rendement in box 3 aanzienlijk te verlagen, worden niet eerder ingevoerd. Een heffing op basis van het werkelijk behaalde rendement zit er voorlopig helaas niet in. bron:indicator

Hoeveel vermogen houdt u in uw bedrijf?

De saldi op uw zakenrekening(en)

Als ondernemer kunt u niet zonder liquiditeiten voor uw dagelijkse aankopen ten behoeve van uw bedrijf, de gangbare kosten en voor investeringen. Liquide middelen in uw bedrijf tellen in beginsel privé niet mee. Daarom is het tegen het eind van het jaar goed om even stil te staan bij de omvang van de liquiditeiten in uw bedrijf.

Omvang liquide middelen. Hoeveel liquiditeiten u in uw bedrijf mag houden, is nergens wettelijk bepaald. De omvang is afhankelijk van diverse factoren, zoals bijv. de risico’s in uw branche en de noodzakelijkheid van een financiële buffer. Liquiditeiten hoeft u pas verplicht naar privé over te brengen, als deze duurzaam overtollig zijn. Als u bijv. op termijn van plan bent te investeren, kunt u dus ook meer financiële reserves aanhouden. Uiteraard zult u dit desgevraagd wel aannemelijk moeten kunnen maken.

Gevolgen voor uw onderneming. Liquide middelen in uw bedrijf zorgen voor een hoger eigen vermogen. De opbrengst van deze liquide middelen valt gewoon onder de winst. De rente-inkomsten op een bedrijfsrekening worden dus gewoon belast tegen het tarief van box 1 minus de MKB-winstvrijstelling. Let op.  Zodra u liquiditeiten privé opneemt, kan dit onder meer gevolgen hebben voor uw oudedagsreserve. U kunt namelijk niet meer oudedagsreserve opbouwen dan de omvang van uw ondernemingsvermogen. Houd hier dus rekening mee als u oudedagsreserve wilt opbouwen.

Overbrengen naar privé. Als liquiditeiten een dusdanige omvang hebben dat ze als duurzaam overtollig kunnen worden aangemerkt, moet u deze naar privé overbrengen. Dit betekent dat ze dan ook meetellen bij de bepaling van de omvang van uw vermogen in box 3. Zoals bekend, betaalt u in box 3 30% belasting over een verondersteld rendement dat vanaf een vermogen van ongeveer € 1 miljoen 5,6% bedraagt. Dit komt dus neer op een belastingdruk van 1,68% over de omvang van uw vermogen. Erg veel, als de werkelijke opbrengst op uw spaarrekening vrijwel nihil is.

Peildatum 1 januari. De peildatum voor de omvang van uw vermogen in box 3 is 1 januari. Het is dus van belang om vermogen zo mogelijk pas na 1 januari over te brengen naar privé. Het telt dan immers niet mee in box 3 en u bespaart tot 1,68% aan belasting.

Toch straf op boxhoppen?

De wetgever heeft echter ook willen voorkomen dat vermogen ongestraft buiten box 3 kan worden gehouden door het tijdelijk als bedrijfsvermogen aan te merken. Behalve dat u duurzaam overtollige liquiditeiten niet als ondernemingsvermogen aan mag merken, staat er daarom ook een straf op het zogenaamde ‘boxhoppen’.

Dus? Dit betekent dat vermogen dat u vanuit box 3 niet langer dan drie maanden in uw bedrijf ‘parkeert’, toch meetelt in box 3 als de peildatum van 1 januari in deze drie maanden valt. Bij vermogen dat tussen de drie en zes maanden in het bedrijf wordt geparkeerd, heeft u nog de mogelijkheid aan te tonen dat dit op zakelijke gronden berust. Zijn deze er niet, dan wordt ook in dat geval het vermogen meegeteld in box 3 als de peildatum van 1 januari in deze periode valt. In de hiervoor genoemde gevallen is het vermogen dan zowel belast in box 1 als in box 3.

Plan uw zakelijke liquiditeiten rond de peildatum van 1 januari zorgvuldig, want wanneer u ze naar privé overbrengt, tellen ze mee in box 3. Duurzaam overtollige liquiditeiten moet u echter verplicht als privé aanmerken, tenzij u het zakelijk belang aantoont waarom u die gelden in de zaak wilt houden (bijv. investeringen). bron:indicator

Nog snel alimentatieverplichting afkopen?

Wat staat er op stapel?

Aftrekbeperking. Vanaf 2020 zijn privéaftrekposten niet meer aftrekbaar tegen het hoogste belastingtarief van 50,50% (2020). Men heeft namelijk besloten om deze aftrek in enkele stappen te maximaliseren tot het belastingtarief in de eerste schijf. Dit betekent dat aftrekposten op termijn (vanaf 2023) nog maar tegen maximaal 37% aftrekbaar zijn.

Ook partneralimentatie. Deze beperking wordt vanaf 2020 ingevoerd. De aftrek wordt met stappen van 3% per jaar verminderd. Voor 2020 geldt bijv. al dat uw aftrek gemaximaliseerd is op een tarief van 46%. Dit geldt dus ook voor de aftrek van de door u betaalde partneralimentatie.

Voorbeeld.Stel, u betaalt op jaarbasis € 8.000 aan partneralimentatie. In 2019 is deze nog gewoon tegen het hoogste tarief aftrekbaar. Dit levert u een fiscaal voordeel op van maximaal € 4.156 (51,95%). Na afbouw van deze aftrek zal uw fiscale voordeel in 2023 nog maar maximaal € 2.960 bedragen. Een verschil van € 1.196 per jaar!

Alimentatie afkopen?

In 2019. Met het oog op deze aftrekbeperking kan het zinvol zijn uw alimentatieverplichting in 2019 ineens af te kopen. Zeker als uw inkomen voldoende hoog is om deze afkoop volledig tegen het hoogste belastingtarief te laten plaatsvinden.

Voorbeeld.Stel, u moet nog tot en met 2024 jaarlijks € 8.000 aan partneralimentatie betalen. U komt met uw ex-partner overeen dat u dit bedrag in 2019 ineens betaalt. U spreekt af dat uw ex-partner een bedrag van € 48.000 (incl. 2019) ineens ontvangt. Als u dit tegen het hoogste belastingtarief kunt aftrekken, levert u dit een fiscaal voordeel op van € 24.936. Wacht u en voldoet u ieder jaar uw bijdrage, dan bedraagt uw fiscale voordeel tot en met 2024 slechts € 20.396. Een aanzienlijk verschil dus!

Box 3-vermogen lager. Door de betaling van de afkoopsom wordt ook uw box 3-vermogen lager. Dit kan fiscaal voordelig uitpakken voor de vermogensrendementsheffing in box 3.

Waar moet u op letten?

Bij ex-partner belast. Uw ex-partner ontvangt door de afkoop een bedrag ineens dat belast is. Dit kan nadelige gevolgen hebben (qua tarief) voor de aangifte inkomstenbelasting van uw ex-partner. Dit tariefnadeel is grotendeels weg te nemen door een middelingsverzoek in te dienen. Het extra inkomen wordt daarmee bij uw ex-partner over drie jaar verdeeld.

Premie Zvw. Verder moet uw ex-partner over partneralimentatie altijd premie Zvw (2019: 5,7%) betalen. Een afkoop kan voordelig uitpakken als in het jaar van afkoop het jaarmaximum qua inkomen (2019: € 55.927) wordt overschreden. Het meerdere wordt dan namelijk niet belast.

Toeslagen. Ten slotte is het van belang goed te kijken naar de gevolgen van de afkoop voor de eventuele toeslagen die uw ex-partner ontvangt. Een hoger inkomen in 2019 betekent sowieso minder toeslag (maar in latere jaren dus een hogere toeslag). Daarnaast kan de aanspraak op huur- of zorgtoeslag en kindgebonden budget helemaal vervallen als uw ex-partner door de afkoop over te veel vermogen beschikt. De grens hiervoor ligt op € 30.360 resp. € 114.776.

Omdat uw alimentatieverplichting ten opzichte van uw ex-partner vanaf 2023 nog maar aftrekbaar is tegen maximaal 37%, kan het voordelig zijn om deze af te kopen. Neem in het overleg met uw ex-partner niet alleen de fiscale gevolgen mee, maar ook de gevolgen voor de premie Zvw en eventuele toeslagen. bron:indicator

Uitsluitingsclausule in testament opnemen?

Notaris. Voor huwelijken van voor die datum blijft de oude regeling van kracht dat een schenking of erfenis gemeenschappelijk vermogen is. Als u dat niet ziet zitten, kunt u bij uw voorkeursnotaris in uw testament een ‘uitsluitingsclausule’ opnemen. Daarin wordt bepaald dat al hetgeen door een erfgenaam wordt verkregen, alsmede de vruchten daarvan en al hetgeen daarvoor in de plaats treedt, uitsluitend tot het privévermogen van de erfgenaam blijft behoren. In geval van bijv. echtscheiding hoeft dat bedrag niet te worden gedeeld met de ex-partner.

Via een uitsluitingsclausule in uw testament zorgt u ervoor dat de erfenis die wordt verkregen privévermogen blijft van het eigen kind. Dat geldt ook voor de verkoopopbrengst van die goederen. bron:indicator

Wilhelminalaan 1, 1441 EK Purmerend
Tel: 0299-767002 / E-mail: info@partnersinadministraties.nl