“…Doet u waar u goed in bent en laat de rest aan ons over…”
Verbreding
Alle mkb-bedrijven met 30% omzetverlies die ook aan de andere voorwaarden voldoen, krijgen toegang tot de TVL. Er is tijdelijk geen beperking van SBI-codes. Dit geldt alleen voor het vierde kwartaal, van 1 oktober t/m 31 december 2020.
Evenementenbranche
Ondernemers en toeleveranciers in de evenementenbranche die in de zomer TVL subsidie hebben ontvangen, maar in het vierde kwartaal de omzetdrempel van 30% niet halen, worden toch geholpen. Deze ondernemers ontvangen een subsidiebedrag, gebaseerd op hun TVL subsidie in de zomermaanden.
Horeca
Verplicht gesloten eet- en drinkgelegenheden krijgen eenmalig een aanvullende subsidie. Dit bedrag komt bovenop de TVL subsidie. Deze steun is bedoeld om te helpen met de kosten voor onbruikbare voorraad en aanpassingen aan de 1,5 meter afstandregel. Denk aan voedselvoorraad die bederft, kuchschermen, aanleg en overkapping van een buitenterras voor de winter. Het gaat gemiddeld om een bedrag van circa € 2.500.
Maximum bedrag per bedrijf
Het maximum subsidiebedrag is per 1 oktober 2020 verhoogd naar € 90.000 per bedrijf per drie maanden. Dat was € 50.000 per bedrijf per 4 maanden.
Aanvraag
U kunt de TVL voor het vierde kwartaal van 2020 vanaf medio november aanvragen. bron:waterland accountants
Het gaat hier om producten die het meest in het milieu terechtkomen en waarvoor betaalbare alternatieven zijn. Vertegenwoordigers van de Europese Commissie, het Europees Parlement en de EU-landen hebben hierover in december 2018 al een principeakkoord bereikt.
De richtlijn verbiedt ook drank- en voedselverpakkingen van piepschuim, roer- en wattenstaafjes en onder andere dunne zakjes van plastic. Ook moeten fabrikanten van onder meer filters voor sigaretten, ballonnen en bepaalde voedsel- en drankverpakkingen betalen aan de afvalverwerking van het door hun geproduceerde zwerfafval.
Volgens de Europese Commissie bestaat 70% van de plastic soep, het plastic in de Europese wateren en oceanen, namelijk uit deze producten.
Daarnaast moeten we 9 van de 10 plastic flessen tegen 2029 gescheiden inzamelen. Regelingen via bijvoorbeeld statiegeld of innovatieve vormen van inzameling kunnen hieraan bijdragen. Vervolgens moet 1 op de 3 flessen vanaf 2030 geproduceerd zijn van hergebruikt plastic.
Het verbod op plastic tassen in winkels dat in 2016 inging, werpt inmiddels zijn vruchten af. Hiervan wordt namelijk minder teruggevonden in het milieu. De EU is echter ook van mening dat alleen een verbod niet voldoende is. Uiteindelijk zullen de burgers het verschil moeten maken als het gaat om de wegwerpcultuur. De lidstaten hebben dan ook afgesproken dat ze campagnes gaan starten om consumenten bewuster te maken van de nadelen van rondzwervend plastic.
Uiteindelijk zal het verbod grote impact hebben op particulieren. Maar met name de verpakkingsindustrie en producenten van plastic producten zullen nog meer op zoek moeten naar andere duurzamere en innovatieve alternatieven.
De Europese Commissie schat in dat de consument met de maatregelen 6,5 miljard euro zal besparen. Hier ligt hergebruik en het verduurzamen van producten aan ten grondslag. Het verbod zal ook nog eens goed zijn voor 3,4 miljoen ton CO2-reductie.
Een aantal grote ketens heeft al te kennen gegeven het voortouw te nemen op dat wat komen gaat. Zij verbannen plasticrietjes en -bestek al uit hun winkels en proberen hun producten zoveel mogelijk zonder plastic te verpakken.
De Europese lidstaten hebben in mei 2019 definitief ingestemd met het verbod. Op 3 juli 2021 gaat de wet in.
Naast het verbod op wegwerpplastic, komt er per 1 juli 2021 een statiegeldsysteem voor kleine plastic drinkflesjes om extra zwerfaval tegen te gaan. Op flesjes van minder dan 1 liter komt 15 cent statiegeld. Voor flessen van meer dan 1 liter blijft het statiegeld 25 cent. Je kunt de flesjes inleveren bij supermarkten, treinstations, tankstations en cateraars. De producenten van de flesjes zijn verantwoordelijk voor de invoering van het statiegeldsysteem. Horeca en kleine bedrijven hoeven de flesjes niet in te zamelen. bron:kvk
Blijft je omzet in 2020 onder de 20.000 euro en verwacht je dat ook voor de komende jaren? Ga dan na of deelname aan de KOR gunstig is voor jou. Wil je vanaf 2021 deelnemen? Meld je dan vóór 3 december aan bij de Belastingdienst.
Vanaf 2020 is een omzetgerelateerde vrijstelling omzetbelasting van kracht. Deze kun je gebruiken als je omzet exclusief btw in een kalenderjaar niet hoger is dan 20.000 euro.
Hiervoor tellen alle leveringen en diensten mee die zonder toepassing van de nieuwe KOR met btw belast zijn. Voor het bepalen van de omzetgrens telt ook de btw-vrijgestelde omzet mee die is verkregen uit:
De omzet uit andere btw-vrijgestelde diensten telt niet mee voor de omzetgrens. Hieronder vallen bijvoorbeeld medische diensten, sportdiensten en diensten door schrijvers en journalisten.
Iedere ondernemer, ongeacht de rechtsvorm, kan voor de vrijstellingsregeling kiezen. Dit geldt ook voor een vereniging of stichting. Je keuze geldt voor minimaal 3 jaar, of tot je de 20.000 euro omzet overschrijdt. Onder de KOR bereken je geen btw op je leveringen. De btw op kosten (voorbelasting) mag je ook niet aftrekken. Je kunt volstaan met een beperkte btw-administratie en hoeft geen btw-aangifte te doen.
Je hoeft geen factuur uit te reiken, maar het mag wel. Is het factuurbedrag minder dan 100 euro? Dan mag het een vereenvoudigde factuur zijn. Boven een factuurbedrag van 100 euro gelden de normale factuureisen. In beide gevallen vermeld je geen btw-percentage of btw-bedrag. In plaats daarvan komt de zin ‘factuur vrijgesteld van OB o.g.v. artikel 25 Wet OB’.
Maak je meer dan 20.000 euro omzet in een kalenderjaar? Dan moet je btw berekenen vanaf de levering waarmee je de 20.000 euro-grens overschrijdt. Vanaf dat moment moet je ook weer de normale btw-administratie bijhouden. De omzet voor overschrijding blijft vrij van btw. De volgende 3 jaar kun je geen gebruik maken van deze regeling.
Voldoe je aan de voorwaarden? Dan kan het gebruik van de KOR voordelen opleveren. Je hoeft geen btw-administratie bij te houden en ook geen btw-aangifte te doen. Kijk hier of de KOR voor jou interessant is.
Twijfel je nog? Laat je adviseren door je (fiscaal) adviseur.
Kom dan in actie. Je kunt met ingang van een nieuw aangiftetijdvak (meestal een kwartaal) deelnemen. Zorg dat je aanmelding uiterlijk 4 weken voor de ingangsdatum binnen is bij de Belastingdienst.
Je kunt de KOR pas aanvragen als je ondernemer bent en een btw-identificatienummer hebt ontvangen van de Belastingdienst. De eerstvolgende mogelijkheid om de nieuwe KOR te gebruiken is per het volgende kwartaal. Meld je uiterlijk 4 weken voor de gewenste ingangsdatum aan bij de Belastingdienst. Over de kwartalen dat je nog niet aan de KOR deelneemt moet je aangifte btw indienen.
Je kunt de KOR toepassen als je een schriftelijke bevestiging van deelname van de Belastingdienst hebt ontvangen. Over de kwartalen dat je niet aan de KOR deelneemt moet je aangifte btw doen. bron:kvk
|
|
Ter beschikking stellen. Kleding mag u onbelast ter beschikking stellen (u blijft eigenaar) als het gaat om werkkleding die geheel of gedeeltelijk op de werkplek wordt gedragen. Let op. Het is dus wel nodig dat de bodywarmers ook voor het werk gebruikt worden!
Onbelast? U kunt belastingheffing voorkomen door ervoor te zorgen dat de fiscus de bodywarmer als werkkleding aanmerkt. Dit doet u door de bodywarmers te laten bedrukken met uw logo, want kleding die voorzien is van een of meer beeldkenmerken (logo’s), waarvan de omvang per kledingstuk tezamen ten minste 70 cm2 is, is fiscaal aan te merken als werkkleding. De logo’s moeten wel goed zichtbaar zijn en in relatie staan tot uw onderneming. Op deze manier maken uw werknemers ook nog gratis reclame voor u!
Vergoeden of verstrekken? Vergoedt of verstrekt u de bodywarmer, dan is dit loon voor de werknemer. U kunt dit loon ook aanwijzen als eindheffingsloon, waardoor het voor de werknemer onbelast blijft.
Twijfel over toekomst onderneming. Diverse ondernemers in de inkomstenbelasting (eenmanszaak, Vof) nemen op dit moment het besluit om over te stappen op een BV-structuur. Zij zien de toekomst toch met de nodige scepsis tegemoet en willen door het wijzigen van hun rechtsvorm het risico beperken dat zij privé worden aangesproken op schulden van de onderneming. In hoeverre werkt dat? Hoe kunt u de overgang naar een BV fiscaal geruisloos maken? U leest het in dit artikel.
Hoofdelijk aansprakelijk. Allereerst maar eens de zin en de onzin van een overstap naar een BV-structuur. Deze beperkt inderdaad het risico dat u privé wordt aangesproken voor bedrijfsschulden. Bij een eenmanszaak of Vof bent u immers per definitie in privé aansprakelijk (hoofdelijk aansprakelijk). Dit betekent dat als u uw zakelijke schuldeisers niet meer kunt betalen, zij aanspraak kunnen maken op uw privévermogen, bijv. uw eigen woning, auto en banktegoeden.
BV is rechtspersoon. Als u onderneemt in de vorm van een BV, dan is dat niet het geval. Doordat een BV een rechtspersoon is, is deze zelfstandig drager van rechten en plichten. Daardoor gaan uw leveranciers en financiers een overeenkomst aan met de BV en niet met u privé. In beginsel kunnen zij zich alleen verhalen op het vermogen van de BV. Let op. Dit is uiteraard anders als u in privé ook aansprakelijk gesteld kunt worden op grond van een gesloten overeenkomst, bijv. omdat de bank eist dat u voor een financiering ook privé meetekent.
Privé niet buiten schot. Nu zijn er wel degelijk enkele uitzonderingen op de regel dat u privé buiten schot blijft bij het ondernemen via een BV.
Alleen voor de toekomst. Allereerst geldt dit namelijk alleen voor toekomstige schulden. Schuldeisers die nu een vordering hebben op uw eenmanszaak (of Vof), mogen hun vordering gewoon op uw privévermogen verhalen. Zij hoeven daarvoor niet aan te kloppen bij de later opgerichte BV. Dit geldt uiteraard wel voor schulden die zijn ontstaan na de oprichting van de BV.
Aansprakelijk als bestuurder. Daarnaast kunt u als bestuurder van een BV in privé aansprakelijk worden gesteld voor (belasting)schulden van de BV. Dit is het geval als u ‘onbehoorlijk’ bestuurt, waardoor deze schulden niet zijn betaald. Als u echter alles netjes regelt, is hiervan niet snel sprake.
Inkomsten- en vennootschapsbelasting. De overstap naar een BV-structuur heeft niet alleen juridische gevolgen. Ook fiscaal heeft dit de nodige impact. Als zelfstandig ondernemer betaalt u namelijk inkomstenbelasting over uw winst. Hierop mag u de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling in mindering brengen. Als eigenaar van een BV ontvangt u een salaris uit uw BV. Hierover moet door u zonder de genoemde aftrekposten inkomstenbelasting worden betaald. Uw voordeel zit in de winst die u kunt achterlaten in de BV. Daarover betaalt u (in eerste instantie) alleen vennootschapsbelasting (2020: 16,5 – 25%).
Omslagpunt. Wil de overgang naar een BV-structuur fiscaal aantrekkelijk zijn, dan moet u een flinke winst maken. Het omslagpunt ligt al snel boven een winst van € 120.000 per jaar. Dit is mede afhankelijk van het inkomen dat u uit uw onderneming moet opnemen om van te leven.
Belastingplan 2021. In het Belastingplan 2021 is voorgesteld om de vennootschapsbelasting in de eerste schijf te laten dalen tot 15%. Dit lage tarief betaalt u in 2021 over de eerste € 245.000 winst en vanaf 2022 over de eerste € 395.000 winst. Verder wordt de zelfstandigenaftrek in de inkomstenbelasting versneld afgebouwd. Dit maakt dat ondernemen in een BV eerder fiscaal aantrekkelijk wordt dan op dit moment.
Stel nu dat u heeft besloten om over te stappen op een BV-structuur. Hoe pakt u dat dan aan?
Per begin 2021? Allereerst is het van belang om het juiste moment van overdracht te kiezen. Daarbij kunt u het beste aansluiten bij de datum waarop de jaarwinst wordt bepaald (1 januari), zodat er geen tussentijdse cijfers hoeven te worden gemaakt. Voor 2020 kunt u niet meer met terugwerkende kracht terug naar 1 januari 2020. Dit betekent dat als u wilt overstappen per begin van het jaar, u moet aansturen op een overdracht per 1 januari 2021. Tip. Als u echter kiest voor een geruisloze inbreng en u voor 1 oktober jl. een intentieverklaring bij de Belastingdienst heeft geregistreerd, kunt u nog met terugwerkende kracht tot 1 januari 2020 overstappen naar de BV. De BV moet dan voor 1 april 2021 opgericht zijn.
Soort inbreng. Daarbij speelt dus een rol of u kiest voor een geruisloze of een ruisende inbreng in de BV. Bij een geruisloze inbreng rekent u niet af over de goodwill en de stille reserves, maar worden deze doorgeschoven naar de BV. Dit is veelal aantrekkelijk als de overwaarden in uw onderneming te groot zijn om onder te brengen in een stakingswinstlijfrente. Een ruisende inbreng is vaak fiscaal aantrekkelijk als de stakingswinst geheel kan worden omgezet in een stakingswinstlijfrente.
Intentieverklaring. Voor een geruisloze inbreng heeft u meer tijd om met terugwerkende kracht tot 1 januari een intentieverklaring te registreren (negen maanden) dan bij een ruisende inbreng (drie maanden). Hierdoor is er ook meer tijd beschikbaar om de BV uiteindelijk op te richten.
Geruisloze inbreng. Zoals gezegd, wordt er bij een geruisloze inbreng niet afgerekend over de goodwill en stille reserves die binnen uw onderneming aanwezig zijn. Deze worden doorgeschoven naar de BV. De BV start hierdoor met dezelfde boekwaarden als uw eenmanszaak. Als er dus bijv. een pand voor € 150.000 op de balans staat bij uw eenmanszaak, dan moet de BV dezelfde boekwaarde overnemen. Dat is dan uiteraard weer de basis voor toekomstige afschrijvingen.
Ruisende inbreng. Bij een ruisende inbreng moet er wel afgerekend worden over de goodwill en stille reserves. Deze winst (stakingswinst) mag echter direct worden omgezet in een lijfrente. Hierdoor hoeft u pas belasting over de stakingswinst te gaan betalen op het moment dat deze lijfrente tot uitkering komt (pensionering). Bovendien wordt de winst dan verspreid over meerdere uitkeringen, waardoor er over het algemeen een lager belastingtarief geldt. Het voordeel hiervan is dat de BV wel de afgerekende goodwill en stille reserves mag activeren. Daarover mag vervolgens worden afgeschreven waardoor de jaarwinst in de BV wordt gedrukt.
Lijfrente bij eigen BV. Een stakingswinstlijfrente mag u extern onderbrengen bij een verzekeringsmaatschappij of een bank. Dit wordt meestal niet gedaan omdat hiervoor de liquiditeiten ontbreken. Het is gelukkig ook mogelijk de lijfrente bij de nieuwe BV onder te brengen. Zodoende blijven alle liquiditeiten in de onderneming beschikbaar.
Wat met de oudedagsreserve? Wellicht heeft u in het verleden in uw eenmanszaak een fiscale oudedagsreserve (FOR) gevormd. Bij zowel een geruisloze als een ruisende inbreng is het mogelijk om uw FOR om te zetten in een lijfrente bij uw nieuwe BV. De lijfrenteverplichting in de BV wordt jaarlijks opgerent. Op het moment dat u met pensioen gaat, starten de uitkeringen hieruit die uiteraard belast zijn. U moet er dus wel voor zorgen dat er voldoende liquiditeiten voor apart gezet zijn.
Bespreek met uw adviseur ook vooraf de niet-fiscale gevolgen. Denk bijv. aan:
Verlengd? U kon tot 1 oktober 2020 nog een eerste aanvraag doen voor bijzonder uitstel van betaling van belastingschulden. Tip. Heeft u eerder uitstel aangevraagd, dan krijgt u nog tot en met 31 december 2020 de tijd om het uitstel te verlengen. Heeft u eerder geen bijzonder uitstel aangevraagd, wat zijn dan de mogelijkheden als u niet in staat bent om belastingschulden te betalen?
Bent u tijdelijk niet in staat om uw belastingschuld te betalen, dan kunt u, als u aan de voorwaarden voldoet, telefonisch uitstel van betaling vragen aan de Belastingdienst. Als u kort telefonisch uitstel aanvraagt, kunt u maximaal vier maanden uitstel van betaling krijgen vanaf de uiterste betaaldatum van de aanslag. Let op. U kunt alleen telefonisch uitstel van betaling aanvragen als u de (naheffings)aanslag heeft ontvangen. Dus wacht altijd eerst op de aanslag, eerder bellen heeft geen zin. Tip. U vraagt kort telefonisch uitstel aan via de BelastingTelefoon: (0800) 05 43. Hiervan ontvangt u binnen tien werkdagen een schriftelijke bevestiging. Let op. U krijgt geen kort telefonisch uitstel voor het doen van de aangifte! De aangifte dient dus tijdig bij de Belastingdienst binnen te zijn.
Wat met de boete? Als u een belastingaanslag niet betaalt, ontvangt u een naheffingsaanslag met een boete. Tip. Heeft u kort telefonisch uitstel verkregen en betaalt u binnen de termijn van het verleende uitstel, dan hoeft u deze boete niet te betalen. De boete wordt ingetrokken op het moment dat het uitstel wordt verleend. Door het verleende uitstel is er immers geen sprake meer van een betalingsverzuim (art. 19 en art. 67c AWR en art. 30 Ur AWR) .
U krijgt alleen kort telefonisch uitstel als:
Langer uitstel nodig? Voldoet u niet aan de voorwaarden voor kort telefonisch uitstel of heeft u langer nodig dan vier maanden, dan kunt u met een formulier een betalingsregeling aanvragen voor maximaal twaalf maanden. Deze periode geldt vanaf de laatste betaaldatum van de belastingaanslag waarvoor u de betalingsregeling aanvraagt. Hiervoor gelden minimaal deze voorwaarden:
Woning verhuren populair. Het verhuren van de woning of een deel ervan is tegenwoordig erg populair. Bovendien besliste Hof Amsterdam vorig jaar dat de verhuur van een deel van de woning onbelast is. Let op. De Hoge Raad draait deze uitspraak echter terug. Ook de verhuur van een deel van de woning is dus belast.
Belastingheffing beperkt. Dat de verhuur belast is, betekent niet dat de gehele inkomsten moeten worden opgegeven. U hoeft slechts 70% van de netto-inkomsten aan te geven als huuropbrengst in box 1. Tip. Van de verhuurinkomsten mag u dus ook eerst de kosten aftrekken, zoals bijv. voor bewassing en slijtage van de inboedel. Van het restant is dan 70% belast.
Verhuurinkomsten alsnog opgeven. De uitspraak betekent dat u de verhuurinkomsten alsnog moet opgeven, als u dat in uw aangiften nog niet had gedaan. Heeft u ze wel opgegeven, maar alvast bezwaar aangetekend met het oog op de mogelijk positieve uitkomst van deze rechtszaak, dan weet u dat de Belastingdienst uw bezwaar zal afwijzen. In beroep gaan, is vanwege de uitspraak van de Hoge Raad zinloos.
Ondernemerschap. Iemand die zich presenteert als een ondernemer, is dat niet altijd. Voor de inkomstenbelasting is het belangrijk om ook fiscaal gezien ondernemer te zijn, anders heeft men geen recht op de ondernemersfaciliteiten, zoals de zelfstandigenaftrek. De Belastingdienst bestrijdt actief situaties waarin geclaimd wordt dat er sprake is van fiscaal ondernemerschap, terwijl dat feitelijk niet zo is. Ook als u iemand inhuurt, is het van belang goed vast te stellen of er sprake is van ondernemerschap of niet.
Koeriersbedrijf. Onlangs heeft Hof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2020:6117) geoordeeld dat een van de vennoten in een Vof die een koeriersbedrijf uitoefende, geen ondernemer was.
Geen Vof. De rechter stelde vast dat er geen sprake was van een Vof. De vennoten hadden namelijk niet de bedoeling om samen te werken op basis van gelijkwaardigheid. Eigenlijk was er één vennoot waaraan de anderen ondergeschikt waren. De inkomsten van de ondergeschikte vennoot kunnen dan niet als winst uit onderneming in aanmerking genomen worden.
Om voor de inkomstenbelasting als ondernemer te worden behandeld:
Let op. Bij de vennoot uit het voorbeeld ging het daar dus mis: het koeriersbedrijf werd immers niet voor zijn rekening uitgeoefend.
Risico? Loopt u nu een risico als u een zzp’er als koerier inhuurt? De laatste tijd is er veel discussie over pakket- en maaltijdbezorgers. Daarbij is vaak de vraag of zij zelfstandig zijn (zzp’er) of eigenlijk als werknemer aan de slag zijn voor hun opdrachtgever. Deze discussie is vooral van belang voor de koerier en zijn opdrachtgever en niet voor u als klant die af en toe een koerier gebruikt om pakketjes te laten bezorgen.
Inhuren personeel. De discussie over wel of niet als zelfstandige kwalificeren, is voor u wel van belang als u arbeidskrachten inhuurt om in uw bedrijf mee te werken, bijv. via een uitzendbureau. Dan geldt namelijk de inlenersaansprakelijkheid.
Onderaanneming. Soms geldt de ketenaansprakelijkheid als u een klus uitbesteedt aan een ander, bijv. als u aannemer bent en een deel van een door u aangenomen werk laat uitvoeren door een onderaannemer.
Inlenersaansprakelijkheid. Deze risico’s zijn overigens te beperken door bijv. alleen personeel in te lenen van uitzendbureaus die over een NEN 4400-certificaat beschikken. U kunt dit controleren op deze website: https://www.normeringarbeid.nl/
Ketenaansprakelijkheid. Ketenaansprakelijkheid kunt u bijv. beperken door gebruik te maken van een g-rekening. U betaalt dan een deel van de aanneemsom op een geblokkeerde rekening, die de onderaannemer alleen kan gebruiken om belasting en premies mee te betalen.
Fietsregeling. Sinds 2020 is er een speciale regeling voor de fiets die aan een werknemer ter beschikking wordt gesteld. De fiets blijft dan uw eigendom en u kunt alle kosten van de fiets, zoals aanschaf, onderhoud en reparatie, ten laste van de winst brengen. Voor het privégebruik van de fiets moet u jaarlijks een bedrag van 7% van de cataloguswaarde van de fiets bij het inkomen van de werknemer tellen. Over deze 7% betaalt de werknemer belasting. Tip. De regeling is er niet alleen voor werknemers, maar ook voor u als ondernemer. Maar wat betekent dit concreet voor de winstaangifte en hoe zit het met de btw?
U kunt een fiets op de zaak zetten en alle kosten ten laste van de winst brengen, als u de fiets minstens 10% zakelijk gebruikt. Dit zult u desgewenst aannemelijk moeten maken. Ook u krijgt met de bijtelling van 7% voor privégebruik te maken. De fiscus gaat er in ieder geval van uit dat u de fiets ook privé gebruikt als deze voor het woon-werkverkeer ter beschikking staat. Let op. Ook al zou u kunnen bewijzen dat u de fiets niet privé gebruikt, geldt er toch de bijtelling.
Winstcorrectie. Voor ondernemers met een fiets van de zaak komt de regeling erop neer dat deze 7% van de cataloguswaarde van de fiets niet ten laste van de winst kunnen brengen. U mag dus alle kosten van de fiets van de winst aftrekken minus de bijtelling van 7%. Eigenlijk is dit hetzelfde systeem als met de bijtelling voor de auto van de zaak. Net als bij de auto van de zaak kan de bijtelling niet hoger zijn dan het bedrag dat u aan fietskosten heeft. Tot de fietskosten horen ook de afschrijvingskosten. Op een fiets zijn de gewone regels voor afschrijving van toepassing, dus maximaal 20% per jaar.
Geen € 0,19/km aftrek meer! Als u gebruikmaakt van uw privéfiets voor zakelijke ritten, kunt u €0,19/km ten laste van de winst brengen. Dit is bij een fiets die op de zaak staat niet meer mogelijk. Als u dus wilt berekenen wat voordeliger is, zult u hiermee rekening moeten houden. Ook voor woon-werkverkeer dat u eventueel met de fiets aflegt, vervalt dan namelijk de aftrek van € 0,19/km van de winst.
Wat met de btw? In de fietsregeling voor werknemers is bepaald dat u de btw bij aanschaf van de fiets tot een maximum van € 130 per fiets mag aftrekken. Voor u als ondernemer geldt deze beperking niet. Wel zult u een correctie toe moeten passen voor privégebruik. Gebruikt u de fiets dus naar schatting voor de helft privé en voor de helft zakelijk, dan mag u maar 50% van de btw aftrekken. Dit moet u in het jaar van aanschaf en de vier daarop volgende jaren corrigeren, als achteraf blijkt dat het privégebruik toch hoger of lager is uitgevallen. Doe dit in de laatste btw-aangifte 2020.
KIA. Bij aanschaf van een (e-)fiets heeft u in beginsel ook recht op de investeringsaftrek voor kleinschalige investeringen (KIA). De fiets moet dan minstens € 450 kosten en u moet in 2020 minstens voor € 2.400 investeren.
MIA. Voor de zogenaamde ‘speed pedelec’ heeft u daarnaast ook recht op de Milieu-investeringsaftrek (MIA). Voor 50% van het investeringsbedrag heeft u dan recht op 13,5% MIA en op de Vamil. De Vamil betekent dat u van de genoemde 50% van het investeringsbedrag maximaal 75% willekeurig mag afschrijven. Zo kunt u de kosten deels sneller ten laste van de winst brengen.