“…Doet u waar u goed in bent en laat de rest aan ons over…”

Woningbouw versneld: wat betekent dit voor u?

Het kabinet zet vol in op het versnellen van de woningbouw. Met honderden miljoenen aan investeringen, nieuwe regels en een forse inzet op fabrieksmatige bouw wil de overheid jaren tijdswinst boeken. Wat verandert er concreet voor projectontwikkelaars, bouwondernemers en makelaars?

Taskforce Versnelling Woningbouw. Op 20 april 2026 heeft minister Boekholt-O’Sullivan van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening de eerste resultaten bekendgemaakt van de Taskforce Versnelling Woningbouw. Zes vakministers werken hierin samen aan één doel: de woningbouw sneller, goedkoper en op grotere schaal mogelijk maken.

De ambitie is groot. De bouw van een woning duurt nu gemiddeld tien jaar, van planontwikkeling tot oplevering. Het kabinet wil die doorlooptijd flink terugdringen en zet daarvoor concrete stappen op meerdere fronten tegelijk.

Vergunningverlening versnellen

Doorlooptijd gehalveerd. Een van de grootste vertragingen in het bouwproces zit in het ontwerp- en vergunningentraject. Dat duurt nu gemiddeld acht jaar. Door innovatie, digitalisering en standaardisatie wil het kabinet deze periode halveren naar vier jaar. Hiervoor is € 90 miljoen beschikbaar gesteld.

Meer uitvoeringskracht bij gemeenten. Gemeenten en provincies kampen vaak met capaciteitstekorten bij de behandeling van vergunningaanvragen. Het kabinet stelt daarom voor de komende vier jaar € 156 miljoen beschikbaar om de uitvoeringskracht van deze overheden te versterken. Dit moet minder vertraging door onderbezetting en betere begeleiding van projecten opleveren.

Tip. Als u een bouwproject plant, is het verstandig om vroegtijdig contact op te nemen met de gemeente. Met de extra middelen die gemeenten ontvangen, kan de samenwerking in de voorfase beter worden georganiseerd. Vraag actief naar de lokale prioriteiten en beschikbare capaciteit.

Meer grootschalige woningbouwgebieden. Het aantal grootschalige woningbouwgebieden wordt uitgebreid van 21 naar 30. In deze gebieden heeft woningbouw voorrang. Na de zomer van 2026 volgt een actieplan met verdere maatregelen, waaronder de aanwijzing van nieuwe nationaal grootschalige woningbouwlocaties.

Fabrieksmatige bouw

Minimaal de helft fabrieksmatig. Het kabinet heeft een duidelijk doel gesteld: binnen vier jaar moet minimaal de helft van alle nieuwbouwwoningen fabrieksmatig worden gebouwd, bij voorkeur in Nederlandse fabrieken. Woningen worden in de fabriek voorgefabriceerd, vervolgens in delen naar de bouwlocatie vervoerd en in enkele dagen afgemonteerd.

Voordelen voor bouwondernemers. Industriële bouw biedt meerdere voordelen: u bent minder afhankelijk van schaarse arbeidskracht, de bouwtijd op locatie is aanzienlijk korter, de kwaliteit is voorspelbaarder en de kosten liggen lager. Bovendien zijn fabrieksmatig gebouwde woningen vaak duurzamer, wat steeds vaker een vereiste is bij projectontwikkeling.

Vergunning voor technische eisen vervalt. Dit is een ingrijpende wijziging voor de praktijk. Voor volledig gecertificeerde fabrieksmatige woningen is straks geen vergunning voor de technische eisen meer nodig. Het kabinet voert hiervoor wijzigingen door in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Dit betekent dat woningen vooraf gecertificeerd kunnen worden en achteraf niet meer op technische kwaliteit getoetst hoeven te worden.

Tip. Oriënteer u tijdig op de mogelijkheden van industriële bouw en welke certificeringstrajecten hiervoor beschikbaar zijn. Indien u als projectontwikkelaar of bouwondernemer samenwerkt met een gecertificeerde fabrikant, kunt u straks aanzienlijk sneller en met minder administratieve rompslomp bouwen.

Bestaande gebouwen beter benutten

15.000 woningen per jaar erbij. Naast nieuwbouw ligt er ook een grote kans in de bestaande bouw. Door optoppen (een extra verdieping plaatsen), ombouwen, splitsen en woningdelen kunnen jaarlijks 15.000 extra woningen worden toegevoegd. Het kabinet stelt hiervoor € 41 miljoen beschikbaar en wil overbodige regelgeving schrappen die dit soort transformaties nu nog belemmert.

Minder regeldruk. Het Rijk wil wettelijke belemmeringen wegnemen die transformatie van bestaand vastgoed in de weg staan. De vraag naar transformatieprojecten zal toenemen nu de overheid actief stimuleert en belemmeringen wegneemt.

Middenhuur: verbeterd investeringsklimaat

Overdrachtsbelasting omlaag voor verhuurders. Om de bouw en het behoud van middenhuurwoningen te stimuleren, verlaagt het kabinet de overdrachtsbelasting voor verhuurders. Dit maakt het aantrekkelijker om te investeren in huurwoningen in het middenhuursegment.

Aanpassing Wet betaalbare huur. Het kabinet past de Wet betaalbare huur aan. Onder meer de nieuwbouwopslag wordt verlengd, wat het voor ontwikkelaars interessanter maakt om nieuwe huurwoningen te bouwen in het middensegment.

Corporaties op lange termijn. Ook de financiële positie van woningcorporaties staat op de agenda. Het kabinet verlaagt de vennootschapsbelasting voor corporaties, zodat zij ook na 2035 kunnen blijven bouwen en verduurzamen.

De overheid zet de deur open voor snellere en goedkopere woningbouw. Profiteer hiervan door nu al te onderzoeken of fabrieksmatige bouw past binnen uw projecten, door vroegtijdig contact te zoeken met gemeenten over de beschikbare capaciteit voor vergunningverlening en door uw blik te richten op transformatie van bestaand vastgoed.

Verduidelijking zelfstandigheid zzp’er

Logopedist is zelfstandig

De zaak. In de uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 13 februari 2026 (ECLI:NL:RBZWB:2026:1391) oordeelde de rechter dat een logopedist als zzp’er werkte en niet als werknemer. De zaak draaide om de vraag of de samenwerking moest worden gezien als een arbeidsovereenkomst of als een overeenkomst van opdracht. Dat verschil is belangrijk, omdat daar andere rechten en verplichtingen bij horen. De rechtbank kijkt daarbij niet alleen naar het contract, maar vooral naar hoe partijen in de praktijk samenwerken.

Gezagsverhouding. In deze zaak ontbrak een duidelijke gezagsverhouding. De logopedist kreeg geen inhoudelijke instructies over hoe zij haar werk moest uitvoeren. Zij werkte zelfstandig en bepaalde zelf de aanpak richting haar cliënten.

Vrijheid. Daarnaast had zij veel vrijheid in haar werk. Zij kon haar eigen agenda indelen en was niet verplicht om op vaste tijden aanwezig te zijn. Ook werkte zij niet exclusief voor één opdrachtgever.

Risico. Tot slot liep zij ondernemersrisico. Als er minder cliënten waren, had zij ook minder inkomsten. Dat is typisch voor een zzp’er en niet voor een werknemer.

Wanneer is iemand werknemer?

Drie kenmerken. Een arbeidsovereenkomst kent drie essentiële kenmerken waaraan een rechter zal toetsen om te beoordelen of er sprake is van werknemerschap. Het gaat om de volgende drie vaste elementen:

  • arbeid (de verplichting om persoonlijk werk te verrichten);
  • loon (de betaling voor dat werk);
  • gezag (de mate van aansturing door de werkgever).

De discussie gaat in de praktijk vaak over het al dan niet aanwezig zijn van een gezagsverhouding. De overige elementen zijn eenvoudiger te bepalen.

Praktijk. U kunt een overeenkomst nog zo duidelijk als “zzp” omschrijven, maar als u iemand aanstuurt zoals een werknemer, kan er toch sprake zijn van een arbeidsovereenkomst. Denk aan het geven van dagelijkse instructies, het verplicht stellen van werktijden of het opnemen van de persoon in uw personeelsplanning.

Inzicht. Het gaat dus niet alleen om wat u afspreekt, maar vooral om hoe u daar in de praktijk mee omgaat. Juist daar gaat het vaak mis.

Voorkom schijnzelfstandigheid

Zelfstandigheid. Wilt u met zzp’ers werken, dan is het belangrijk dat de samenwerking daadwerkelijk zelfstandig is ingericht. Dat vraagt om bewuste keuzes in de praktijk. Een zzp’er moet zijn werk naar eigen inzicht kunnen uitvoeren. Dit betekent ook dat hij zelf bepaalt wanneer en hoe hij werkt. Als u vaste werktijden hanteert of aanwezigheid verplicht stelt, lijkt de situatie al snel op een dienstverband.

Aansturing. Beperk uw rol tot het formuleren van de opdracht. U geeft aan wat het resultaat moet zijn, maar niet hoe de zzp’er dat resultaat bereikt. Zodra u zich bemoeit met de uitvoering, ontstaat al snel een gezagsverhouding.

Ondernemerschap. Het helpt als de zzp’er zich ook naar buiten toe als ondernemer gedraagt. Denk aan het hebben van meerdere opdrachtgevers, een eigen administratie en het lopen van financieel risico. Hoe meer dit zichtbaar is, hoe sterker de positie als zelfstandige.

Praktische invulling in uw bedrijf

Dunne scheidslijn. In de dagelijkse praktijk zit het verschil vaak in kleine details. Juist die details bepalen of iemand als zzp’er of als werknemer wordt gezien.

Voorbeeld. U schakelt een specialist in voor uw bedrijf. Als u deze persoon opneemt in uw rooster, hem verplicht aanwezig laat zijn op vaste tijden en hem aanstuurt zoals uw andere medewerkers, dan is de kans groot dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. Laat u daarentegen de invulling van het werk over aan de specialist en spreekt u alleen een opdracht en een resultaat af, dan past dit beter bij zelfstandig ondernemerschap.

Controle. Kijk daarom kritisch naar uw bestaande samenwerkingen. Werkt een zzp’er al langere tijd uitsluitend voor u en is hij volledig geïntegreerd in uw organisatie? Dan is het verstandig om die situatie opnieuw te beoordelen.

Belastingdienst en risico’s

Toezicht. De Belastingdienst houdt actief toezicht op schijnzelfstandigheid. Dit betekent dat uw manier van werken met zzp’ers onder de loep kan worden genomen.

Gevolgen. Als achteraf wordt vastgesteld dat er toch sprake is van een arbeidsovereenkomst, kan dit financiële gevolgen hebben. U moet dan alsnog loonheffingen en premies werknemersverzekeringen betalen. In sommige gevallen komen daar ook boetes bij.

Impact. Dit gebeurt vaak met terugwerkende kracht, waardoor de bedragen snel kunnen oplopen. Zeker bij langdurige samenwerkingen kan dit een flinke last vormen voor uw bedrijf.

Controleer uw samenwerking met zzp’ers regelmatig en kijk vooral naar de praktijk. Zorg dat zelfstandigheid echt zichtbaar is in de manier van werken. Zo voorkomt u dat een zzp’er achteraf als werknemer wordt aangemerkt.

Overgangsjaar youngtimer: extra tijd!

Wat houdt de overgangsregeling in?

Belangrijke goedkeuring. De staatssecretaris heeft een beleidsbesluit gepubliceerd waarmee auto’s die in 2025 15 jaar oud zijn geworden, heel 2026 onder de youngtimerregeling kunnen blijven vallen. Dit is vooruitlopend op wetgeving. Normaal gesproken zou per 1 januari 2026 de reguliere bijtelling over de cataloguswaarde van toepassing zijn tot het moment dat de auto 16 jaar wordt. Nu kunt u toch nog profiteren van een bijtelling van 35% berekend over de waarde in het economisch verkeer.

Reden voor maatregel. Het amendement Grinwis/Oosterhuis bij het Belastingplan 2026 verhoogt de leeftijdsgrens voor de youngtimerregeling naar 16 jaar in 2026 en 25 jaar in 2027. Eerste Kamerleden vroegen om een overgangsregeling, omdat het anders lastig of vrijwel onmogelijk is om te anticiperen op de nieuwe regels.

Welke auto’s komen in aanmerking?

Strenge voorwaarden. Alleen auto’s die in de loop van 2025 precies 15 jaar zijn geworden en al in 2025 ter beschikking staan aan dezelfde werknemer of ondernemer komen in aanmerking.

Keuzeregeling. U kunt er echter ook voor kiezen om de standaardbijtelling toe te passen in de overgangsregeling als die gunstiger is. Dit zal echter slechts gelden in zeer uitzonderlijke situaties. De overgangsregeling stopt per 1 januari 2027.

Voorbeeld. Uw onderneming heeft een auto uit 2010 die in juli 2025 15 jaar is geworden. Deze is ter beschikking gesteld aan dezelfde werknemer sinds begin 2025. Het gehele jaar 2026 kunt u de youngtimerregeling nog toepassen. Indien de berijder van de auto wisselt, dan vervalt echter de overgangsregeling. Zonder de overgangsregeling zou u vanaf 1 januari 2026 terug de reguliere bijtelling moeten toepassen en vanaf juli 2026 pas weer de youngtimerregeling.

Wanneer gaat het gelden?

Direct effectief. Het besluit werkt na publicatie in de Staatscourant, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026. U bent niet verplicht de overgangsregeling te gebruiken. De Belastingdienst past dit toe in aangiften inkomstenbelasting en loonheffingen. Uiterlijk 1 januari 2027 volgt wetgeving.

Geen budgettair risico. De regeling heeft geen extra kosten voor de schatkist, want het volgt de geest van het amendement.

Waarom wordt de youngtimerregeling versoberd?

Te royaal. De youngtimerregeling gaat op de schop omdat de politiek vindt dat deze te voordelig uitpakt. Oudere auto’s met een hoge cataloguswaarde maar een lage economische waarde leiden tot een veel lagere bijtelling dan bij nieuwe auto’s. Dat geeft een onbedoeld belastingvoordeel.

Oorspronkelijk doel voorbij. De regeling stimuleert het langer gebruiken van afgeschreven bedrijfsauto’s. In de praktijk rijden ondernemers en werknemers er luxe auto’s privé mee tegen een erg lage bijtelling.

Duurzaamheidsdoelen. Oudere auto’s zijn vaak minder zuinig en vervuilender. Dat past niet bij het klimaatbeleid dat schonere mobiliteit bevordert. De wetgever wil de fiscale prikkel voor zulke auto’s verminderen.

Praktische tips voor uw bedrijf

Inventariseer nu. Maak een overzicht van de op dit moment door u ter beschikking gestelde auto’s. Check de datum eerste toelating bijvoorbeeld via het RDW.

Voor dga’s.  Ook als dga kunt u gebruikmaken van de overgangsregeling als u aan de voorwaarden voldoet.

Administratie op orde. Documenteer de gegevens met betrekking tot de auto’s per auto: datum eerste toelating, berijder, wel of geen privégebruik en de toepasselijke bijtelling. Indien er geen privégebruik is, zorg dan voor de vereiste bewijsstukken.

Software checken. Controleer of uw loonpakket of aangiftesoftware de bijtelling inclusief de overgangsregeling correct toepast.

Toekomstproof. Houd rekening met de gewijzigde regelgeving omtrent de auto van de zaak bij het leasen of aanschaffen van nieuwe auto’s.

Inventariseer uw auto’s die in 2025 15 jaar zijn geworden en check of ze in 2025 reeds aan dezelfde berijder ter beschikking werden gesteld. Bereken de bijtelling voor 2026: 35% over de economische waarde versus de reguliere bijtelling over de cataloguswaarde en kies de voordeligste optie per auto. Documenteer uw keuze voor een eventuele controle vanuit de Belastingdienst.

Wanneer zijn reiskosten ziekenbezoek aftrekbaar?

Voorwaarden voor aftrek kosten ziekenbezoek

Reiskosten voor het regelmatig bezoeken van een zieke of invalide kunnen onder voorwaarden aftrekbare specifieke zorgkosten zijn bij uw aangifte inkomstenbelasting. De belangrijkste voorwaarden zijn:

  • u bezoekt de zieke regelmatig (bijvoorbeeld meerdere keren per week);

  • de zieke wordt langer dan een maand verpleegd vanwege ziekte of invaliditeit;

  • u voerde bij de start van de verpleging een gezamenlijke huishouding met de zieke (bijvoorbeeld samenwonend of gehuwd);

  • de enkele reisafstand tussen uw woning of verblijfplaats en de plaats van verpleging is meer dan 10 kilometer, gemeten langs de meest gebruikelijke weg.

Let op. Voldoet u niet aan één van deze voorwaarden, dan zijn de reiskosten voor ziekenbezoek niet aftrekbaar als specifieke zorgkosten.

Wat is nu precies een ‘verblijfplaats’?

In de wet staat dat de afstand wordt gemeten tussen uw woning of verblijfplaats en de plaats waar de verpleging plaatsvindt. ‘Verblijfplaats’ is toegevoegd om situaties te dekken waarin u tijdelijk ergens anders verblijft, maar bij het begin van de verpleging wel een gezamenlijke huishouding had met de zieke, bijvoorbeeld bij:

  • een tijdelijk verblijf bij familie;
  • een logeeradres in de buurt van het ziekenhuis;
  • een tweede woning waar u tijdelijk verblijft.

Geen werkadres. De Kennisgroep inkomstenbelasting niet-winst (KG:202:2026:2) geeft nu expliciet aan dat een werkadres géén verblijfplaats is in de zin van artikel 6.17, eerste lid, onderdeel i, Wet IB 2001. Dit betekent dat u voor de 10-kilometergrens altijd moet kijken naar uw woning of een echte verblijfplaats (zoals een tijdelijk logeeradres), maar niet naar uw werkadres.

Praktijkvoorbeeld

Heen en weer vanuit het werk. Een belastingplichtige woont bij zijn ouders. Eén van de ouders is chronisch ziek en wordt thuis verzorgd. De belastingplichtige rijdt een paar keer per week tussen de middag van het werk naar huis om te helpen met de verzorging en daarna weer terug naar het werk. De afstand tussen werk en woning is 15 kilometer.

Geen aftrek reiskosten. In dit geval is er geen afstand tussen de woning en de plaats van verpleging, omdat de zieke ouder thuis wordt verpleegd. De afstand tussen werk en woning is fiscaal niet relevant voor de regeling reiskosten ziekenbezoek, omdat het werkadres niet als verblijfplaats telt.

Gevolg. Hoewel de belastingplichtige veel rijdt en daadwerkelijk mantelzorg verleent, zijn deze ritten niet aftrekbaar als reiskosten ziekenbezoek.

Hoe past u dit toe?

Check uw vertrekpunt. Bepaal altijd eerst: vanaf waar reist u naar de zieke?

  • Vertrekt u van uw woning naar het ziekenhuis of verpleeghuis, dan telt die afstand mee.

  • Verblijft u tijdelijk ergens anders (bijvoorbeeld bij familie of in een logeerhuis) en reist u van daaruit, dan kan dat tijdelijke adres uw verblijfplaats zijn.

  • Rijdt u tussendoor vanuit uw werk naar de zieke en weer terug, dan tellen deze kilometers niet voor de regeling reiskosten ziekenbezoek.

Bewijs bewaren. Houd voor de Belastingdienst een eenvoudig overzicht bij:

  • data en aantal bezoeken;
  • vertrek- en aankomstadres;
  • enkele reisafstand;
  • aantal kilometers per rit en totaal per jaar.

Praktische tips voor uw aangifte

Maak een vaste notitie. Noteer in uw agenda of telefoon elke keer wanneer u naar de zieke gaat, vanaf welk adres u vertrekt en waar de zieke verblijft. Dit helpt u later bij het invullen van de aangifte.

Controleer de 10-kilometergrens. Kijk op bijvoorbeeld een routeplanner naar de meest gebruikelijke route en noteer de enkele reisafstand. Komt u uit op 10 kilometer of minder, dan vallen uw reiskosten buiten deze aftrekregeling.

Kijk ook naar andere zorgkosten. Misschien vallen uw reiskosten niet onder ziekenbezoek, maar heeft u wél andere specifieke zorgkosten, zoals medicijnen, hulpmiddelen of extra vervoerskosten bij ziekte of invaliditeit. Deze kosten kunnen soms wel aftrekbaar zijn, ook als reiskosten ziekenbezoek dat niet zijn.

Toekomstige situaties. Verandert de situatie, bijvoorbeeld omdat de zieke van thuiszorg naar een verpleeghuis gaat, kijk dan opnieuw naar:

  • de plaats van verpleging;
  • uw woning of verblijfplaats op dat moment;
  • de afstand (meer dan 10 kilometer enkele reis).

Moet u regelmatig een zieke ouder, partner of kind bezoeken, bepaal dan altijd eerst waar uw woning of echte verblijfplaats is en waar de verpleging plaatsvindt. Bereken de enkele reisafstand tussen die twee adressen (meer dan 10 kilometer) en leg uw bezoeken en kilometers vast.

Te laat komen: wanneer mag u een werknemer ontslaan?

Wat speelde er onlangs bij de rechter?

Machinebediener te laat. In de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 5 december 2025 (ECLI:NL:RBZWB:2025:8728) gaat het om een machinebediener die herhaaldelijk te laat komt. De reden hiervan is de thuissituatie en privéomstandigheden. Na twee waarschuwingen ontslaat de werkgever de werknemer op staande voet wegens structureel te laat komen en een dag afwezigheid zonder bericht.

Uitspraak. De rechter oordeelt dat het ontslag ongeldig is en kende de werknemer de volgende vergoedingen toe:

  • vergoeding onregelmatige opzegging: € 3.993,65 bruto (loon over opzegtermijn);
  • transitievergoeding: € 332,80 bruto;
  • billijke vergoeding: € 7.987,30 bruto, mede door kwetsbare thuissituatie (jonge kinderen, huis kwijt).

In totaal heeft de werknemer recht op ruim € 12.000 plus rente. De werkgever is tevens veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten (€ 1.478).

Strenge regels bij ploegendienst

Ploegoverdracht is cruciaal. Bij ploegendiensten moet de nieuwe ploeg de werkzaamheden soepel overnemen van de vorige. In de zaak bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant eiste de werkgever dat machinebedieners vijftien minuten voor het begin van de dienst op de werkplek staan. De ervaring leerde dat lopen van poort naar werkplek minstens tien minuten duurt. Vandaar de eis om vijfentwintig minuten voor aanvang in te klokken bij de poort.

Vijftien minuten telt als arbeidstijd. De rechtbank oordeelt dat die vijftien minuten op de werkplek werktijd zijn. De werknemer moet dan beschikbaar zijn en kan zijn tijd niet vrij besteden. De werkgever moet de werknemer hiervoor compenseren. De tien minuten daarvoor zijn echter geen werktijd en worden door de werkgever niet gecompenseerd. De werkgever kan dus niet verplichten om vijfentwintig minuten van tevoren in te klokken.

Tip. Leg in uw arbeidsvoorwaarden vast hoe u ploegoverdracht regelt en hoe u dit compenseert.

Bewijs van te laat komen ontbreekt

Verklaringen te vaag. De werkgever baseerde zich op tijdregistratie en verklaringen van collega’s. De rechtbank vond de verklaringen niet concreet genoeg. Er ontbraken data, exacte minuten vertraging en namen van melders. Als werkgever draagt u echter wel de bewijslast.

Fiets bespaart tijd. De werknemer fietste van poort naar werkplek, in plaats van te lopen. Daardoor haalde hij de vijftien minuten op voorhand aanwezig zijn wel. De werkgever had dit niet onderbouwd.

Tip. Noteer bij elke te laat melding de exacte tijd, reden en getuigen en bewaar dit in een dossier. Zonder hard bewijs van structureel te laat zijn op de werkplek, is er geen dringende reden aanwezig voor ontslag op staande voet.

Incidentele fouten geen ontslaggrond

Drie incidenten te weinig. De werknemer was incidenteel te laat, één keer ziek zonder bericht en één keer afwezig door verwarring over Hemelvaart. De rechtbank weegt dit mee, maar acht het geen dringende reden. Ontslag op staande voet moet onverwijld en direct gemotiveerd worden.

Korte diensttijd. De werknemer was slechts anderhalve maand in dienst. Structureel gedrag moet goed gedocumenteerd zijn. Vier fouten in korte tijd rechtvaardigen geen onmiddellijk ontslag.

Praktische tips

Voorkom dit soort zaken met de hiernavolgende stappen:

  • Maak regels glashelder. Schrijf in het arbeidscontract exacte inklok- en aanwezigheidstijden voor ploegendiensten. Vermeld compensatie voor overdrachtstijd.
  • Waarschuw schriftelijk en concreet. Noteer per waarschuwing de datum, het aantal minuten vertraging en de gevolgen.
  • Documenteer alles. Houd een logboek bij van meldingen, gesprekken en getuigenverklaringen met details.
  • Onderbouw met feiten. Gebruik tijdregistratie, camera’s of getuigen die specifieke incidenten benoemen.
  • Overweeg alternatieven. Bij eerste fouten: gesprek, scholing of proefperiode. Ontsla op staande voet alleen bij échte dringende redenen.

Check bij te laat komen direct uw tijdregistratie en dossier. Eis alleen realistische aanwezigheidstijden en compenseer overdrachtstijd. Bouw een waterdicht dossier op voordat u ontslaat op staande voet.

Facturen kwijt? Dan geen btw-teruggaaf

Aftrek van voorbelasting

Recht op aftrek. U mag de btw op zakelijke kosten (voorbelasting) aftrekken als:

  • u ondernemer bent voor de btw;
  • u belaste omzet heeft;
  • de kosten zakelijk zijn en samenhangen met uw belaste prestaties;
  • u beschikt over een geldige btw-factuur op uw naam.

Zonder goede factuur is de aftrek al snel in gevaar. De bewijslast dat u recht heeft op aftrek ligt bij u, niet bij de Belastingdienst.

Recente uitspraak. Rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2025:26384) bevestigt dit nog eens in een zaak waarin een BV jarenlang btw aftrekt op allerlei kosten, maar bij een boekenonderzoek de facturen niet (of niet volledig) kan overleggen. De rechtbank vindt dat de BV de aftrek niet aannemelijk heeft gemaakt en dat de inspecteur de voorbelasting terecht corrigeert.

Wat ging er mis in deze zaak?

Onvolledige administratie. Bij een boekenonderzoek door de Belastingdienst over meerdere jaren sluit de administratie van de BV niet aan op de btw-aangiften. Gevraagde informatie komt te laat, onvolledig of helemaal niet. De inspecteur legt naheffingsaanslagen op en corrigeert de aftrek van voorbelasting op onder meer domeinnamen, verbouwingskosten en computerkosten. De reden: de BV kan de facturen niet tonen.

Let op. Zonder facturen is er geen bewijs van zakelijke uitgaven en geen bewijs van btw die u mag aftrekken.

Verhuur en verbouwing. De BV wil ook btw aftrekken op verbouwings- en huurkosten van een pand waar een demowinkel zou komen. Die winkel komt door geldgebrek niet van de grond. Het pand wordt uiteindelijk niet gebruikt voor met btw belaste activiteiten. De rechtbank oordeelt dat er geen recht op aftrek is, omdat het pand niet wordt ingezet voor met btw belaste prestaties en er ook niet gekozen kan worden voor btw-belaste verhuur.

Praktische lessen

Bewaar al uw facturen goed. Let onder andere op het volgende:

  • Zorg dat alle inkoopfacturen en kostenfacturen digitaal of op papier bewaard blijven.
  • Controleer of uw eigen naam (of die van uw BV) erop staat en of de factuur aan de btw-eisen voldoet.
  • Leg facturen systematisch vast in uw boekhouding en koppel ze aan betalingen.

Kunt u een factuur niet meer vinden? Vraag dan zo snel mogelijk om een kopie bij uw leverancier. Zonder factuur loopt u bij een controle het risico dat de Belastingdienst de aftrek schrapt.

Koppel kosten aan uw omzet. Houd bij grotere investeringen en bijzondere kosten bij:

  • waarvoor u de kosten maakt;
  • hoe die kosten samenhangen met uw belaste activiteiten;
  • of u het goed echt (binnen redelijke tijd) zakelijk gaat gebruiken.

Komt een project niet van de grond, zoals de geplande demowinkel in deze zaak, dan kan de Belastingdienst de aftrek van de btw op die kosten alsnog weigeren of terugvragen.

Checklist: zo voorkomt u problemen

  • Zorg voor een complete, overzichtelijke administratie die aansluit op uw btw-aangiften.
  • Controleer bij iedere aangifte of alle facturen aanwezig zijn en correct zijn verwerkt.
  • Bewaar facturen minimaal zeven jaar (voor onroerend goed tien jaar).
  • Leg zakelijke projecten goed vast, zeker bij panden en verbouwingen.

Check of u voor alle geclaimde voorbelasting echt beschikt over juiste facturen en of grote kostenposten aantoonbaar zakelijk Corrigeer fouten zelf tijdig in uw btw-aangifte, zodat u niet bij een boekenonderzoek met ontbrekende facturen, hoge naheffingen en een ongunstige bewijspositie wordt geconfronteerd.

Elektrische vrachtauto kopen? Profiteer van subsidieregeling AanZET

Wat is AanZET precies?

Subsidie. Met de regeling Aanschafsubsidie Zero-Emissie Trucks (AanZET) krijgt u een bijdrage als u een nieuwe volledig elektrische vrachtauto koopt of financial-leaset in de zwaardere voertuigcategorieën N2 (vanaf 10.000 kg) en N3.

Alleen emissieloos. Het gaat echt alleen om volledig uitstootvrije vrachtauto’s; hybride of diesel-vrachtauto’s tellen niet mee.

Let op. De regeling voor 2026 is gekoppeld aan de begroting van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. De aanvraagperiode start op 27 januari 2026, maar zolang de begroting nog niet is goedgekeurd, behandelt RVO de aanvragen wel, maar mag er nog geen besluit of uitbetaling volgen.

Wanneer en hoeveel kunt u aanvragen?

Aanvraagperiode. U kunt AanZET aanvragen van 27 januari 2026, 09.00 uur tot en met 13 februari 2026, 12.00 uur (Aanschafsubsidie Zero-Emissie Trucks (AanZET) | RVO.nl). U kunt nu al een conceptaanvraag klaarzetten, zodat u op de openingsdag alleen nog op “indienen” hoeft te klikken.

Aantal vrachtauto’s per dag. Per onderneming (of groep verbonden ondernemingen) gelden strikte daglimieten:

  • 27 januari 2026: één aanvraag voor maximaal 2 emissieloze vrachtauto’s;
  • 28 januari 2026: één aanvraag voor maximaal 2 emissieloze vrachtauto’s;
  • vanaf 29 januari 2026: per werkdag één aanvraag voor maximaal 10 emissieloze vrachtauto’s.

Let op. Dient u op één dag toch meerdere aanvragen in, dan telt alleen de eerst ingediende aanvraag; de rest schuift niet automatisch door naar een volgende dag.

Tweede ronde. In 2026 komt er een tweede openstelling van 29 september 2026, 09.00 uur tot en met 16 oktober 2026, 12.00 uur. Het budget voor die periode maakt RVO later bekend.

Percentage van de verkoopprijs. De subsidie is een percentage van de verkoopprijs van het emissieloze vrachtautochassis, inclusief af-fabrieksopties, exclusief opbouw en exclusief btw. Het percentage en het maximale bedrag hangen af van:

  • de gewichtsklasse (N2 of N3);
  • of u een bakwagenchassis of trekker koopt;
  • de grootte van uw onderneming (klein, middelgroot of groot).

Kleine onderneming. Voor een kleine onderneming (Mkb-verklaring | RVO.nl) of non-profitinstelling gelden in 2026 bijvoorbeeld de volgende maxima:

  • N2 bakwagenchassis vanaf 10.000 kg: 14,8% subsidie, maximaal € 36.900;
  • N3 bakwagenchassis: 29% subsidie, maximaal € 115.200;
  • N3 trekker: 29% subsidie, maximaal € 115.200.

Praktische tip. Laat uw leverancier een offerte maken waarin de prijs van het chassis (inclusief af-fabrieksopties) duidelijk apart staat, zodat u direct kunt zien over welk bedrag de subsidie gaat.

Aan welke voorwaarden moet u voldoen?

Nieuwe vrachtauto. De vrachtauto moet nieuw zijn volgens het RDW-kentekenregister. Dat betekent dat:

  • datum eerste inschrijving in Nederland
  • datum eerste toelating
  • datum tenaamstelling op uw naam

allemaal gelijk zijn. Bij operational lease gaat het om de datum van registratie van het verstrekkingsvoorbehoud.

Maximaal één aanvraag per werkdag. U mag per werkdag één AanZET-aanvraag doen, binnen de genoemde maxima van het aantal vrachtauto’s.

Vier jaar op naam houden. De gesubsidieerde vrachtauto moet vier jaar achter elkaar op uw naam blijven staan (of met een verstrekkingsvoorbehoud op uw naam). RVO controleert dit via de RDW. Verkoopt u eerder, dan moet u dit melden en (een deel van) de subsidie terugbetalen.

Let op netcongestie. Door elektrificatie gaat u meer elektriciteit afnemen of zelf opwekken. RVO adviseert vooraf te controleren of in uw regio sprake is van een overbelast elektriciteitsnet en of er ruimte is voor extra aansluitcapaciteit.

Hoe verloopt de aanvraag in de praktijk?

Voorbereiden. Houd bij de voorbereiding van uw aanvraag rekening met de volgende zaken:

  • Zorg op tijd voor eHerkenning niveau 2+ met de juiste machtiging.

  • Verzamel offertes met duidelijke prijzen van chassis en opties.
  • Bedenk van tevoren hoeveel vrachtauto’s u in de eerste dagen wilt aanmelden, gezien de daglimieten.

Indienen. Na het online indienen krijgt u per e-mail een ontvangstbevestiging met een zaaknummer (AANZET2026-xxxxxxx). Aanvragen worden per dag op volgorde van binnenkomst behandeld.

Loting bij overtekening. Raakt het budget op een dag op en zijn er meer volledige aanvragen dan budget, dan bepaalt RVO via loting de volgorde. De uitslag van de loting krijgt u per e-mail en daarna volgt pas de inhoudelijke beoordeling.

Besluit en voorschot. Zodra de begroting 2026 is goedgekeurd, streeft RVO ernaar binnen dertien weken een besluit te nemen. Bij een positieve beslissing ontvangt u een verleningsbeschikking en in de regel binnen twee weken een voorschot van 70% van het subsidiebedrag.

Vaststelling. U vraagt uiterlijk twaalf maanden na de verleningsbeschikking de subsidievaststelling aan. U geeft dan het kenteken door en stuurt de gespecificeerde betalingsfactuur mee.

Oriënteert u zich op een elektrische vrachtauto, maak dan nu een concreet investeringsplan: check uw netaansluiting en laadinfrastructuur, laat uw dealer de juiste prijsopbouw op de offerte zetten, regel eHerkenning niveau 2+ en zet vóór 27 januari 2026 uw conceptaanvraag klaar zodat u op de openingsdag uw subsidieaanvraag direct en volledig kunt indienen.

Hoe lang facturen en bonnetjes bewaren?

Wat moet u in uw administratie bewaren?

Alles voor financiële controle. Uw administratie moet een volledig beeld geven van uw inkomsten, uitgaven en omzet. Denk aan inkoop- en verkoopfacturen, kassabonnen, bankafschriften, loonstroken en contracten.

Ook digitaal telt mee. U mag alles op papier of digitaal bewaren. Belangrijk is dat de Belastingdienst de gegevens binnen redelijke tijd kan controleren. Bewaar facturen daarom in het originele formaat, bijvoorbeeld als pdf of scan.

E-mails niet vergeten. Zakelijke correspondentie, zoals offertes, orderbevestigingen en e-mailafspraken, hoort er ook bij. Maak mappen aan per jaar of klant om het overzichtelijk te houden.

De standaard bewaarplicht

Standaard zeven jaar. De meeste administratieve gegevens moet u zeven jaar bewaren. Dit geldt vanaf het moment dat de informatie niet meer actueel is.

Voorbeelden. Bij een leasecontract van vier jaar begint de zevenjarige bewaarplicht pas ná afloop van die vier jaar. Facturen uit 2019 mag u pas na 2026 vernietigen.

Basisgegevens altijd zeven jaar. Denk aan:

  • grootboek en journaalposten;
  • debiteuren- en crediteurenadministratie;
  • in- en verkoopfacturen;
  • bankafschriften en kasadministratie;
  • loonadministratie en belastingaangiften.

Wanneer geldt een langere termijn?

Tien jaar voor vastgoed. Gegevens over onroerende zaken, zoals aankoop, verbouwing of verkoop van een bedrijfspand, moet u tien jaar bewaren. Dit komt door de btw-herzieningstermijn.

EU-handel ook tien jaar. Doet u zaken binnen de EU, zoals grensoverschrijdende leveringen of diensten? Dan geldt voor de btw-administratie een bewaartermijn van tien jaar.

Pensioen en leningen. Voor documenten over pensioenen, langlopende leningen of verplichtingen geldt bij voorkeur ook tien jaar. Die kunnen later nog nodig zijn bij geschillen of controles.

Wat als u stopt met uw bedrijf?

Bewaarplicht blijft. Zelfs als u uw bedrijf beëindigt, geldt de bewaarplicht nog zeven of tien jaar. Draag uw administratie dan over aan een boekhouder of bewaar alles digitaal toegankelijk.

Kortere termijnen mogelijk. Met de Belastingdienst kunt u soms afspreken over kortere bewaartermijnen voor niet-basisgegevens. Leg dit altijd schriftelijk vast.

Praktische tip. Maak per jaar een map of digitale map met alle relevante stukken. Zo ziet u direct wat u mag vernietigen en voorkomt u rommel in uw archief.

Persoonsgegevens en privacyregels

Korter bewaren bij AVG. Persoonsgegevens, zoals klantcontacten of personeelsinformatie, vallen onder de AVG. U mag die alleen bewaren zolang nodig voor uw doel, zoals garantie of facturatie.

Sollicitaties vier weken. Sollicitatiebrieven bewaart u maximaal vier weken, tenzij de kandidaat langer toestemming geeft (maximaal één jaar).

Camerabeelden vier weken. Beveiligingsbeelden mag u meestal vier weken bewaren, tenzij er een incident speelt.

Praktische tips

Back-ups en structuur. Houd rekening met het volgende:

  • maak automatische back-ups in de cloud of op een externe schijf;
  • gebruik vaste bestandsnamen, zoals ‘factuur-leverancier-2026-001.pdf’;
  • controleer jaarlijks of oude bestanden nog leesbaar zijn met uw software.

Bij controle voorbereid. De Belastingdienst mag onaangekondigd langskomen. Zorg dat u binnen een dag alles kunt laten zien, digitaal of geprint.

Vernietigen na termijn. Na zeven of tien jaar mag u alles wegdoen. Check wel eerst of er geen lopende controles zijn.

Stel een simpel bewaarbeleid op: bundel per jaar uw facturen, contracten en bonnetjes in mappen of digitaal, plan automatische back-ups in en markeer kalenderdata wanneer u iets mag vernietigen, zodat u bij een controle direct alles paraat heeft.

Aflossingsvrije hypotheken: banken beperken dit steeds meer

Wat is aflossingsvrij precies?

Alleen rente, geen aflossing. Bij een aflossingsvrije hypotheek betaalt de huiseigenaar elke maand alleen rente. De hypotheekschuld blijft gelijk gedurende de looptijd, meestal 30 jaar. Aan het eind moet de lening in één keer worden afgelost.

Boetevrij aflossen. De huiseigenaar kan tussentijds boetevrij aflossen, vaak tot 10% per jaar.

Maximumbedrag. Nieuwe aflossingsvrije hypotheken mogen maximaal 50% van de woningwaarde zijn. Rabobank verlaagt dit vanaf mei 2026 naar 30%, met een plafond van € 150.000.

Lagere maandlasten. Dit trekt vermogende kopers en senioren. Maar banken en de ECB zien risico’s door de hoge totale schuld van € honderden miljarden in Nederland.

Waarom nu strengere regels?

Druk van ECB en IMF. Internationale instanties dringen aan op minder aflossingsvrij lenen. Banken passen hun beleid aan: hogere rente op aflossingsvrije hypotheken en strengere toetsing op inkomen en woningwaarde.

Controle. Bij verlengen of oversluiten controleren banken uw cliënt strenger. Is de hypotheek boven 50% van de marktwaarde? Dan moet het meerdere deel verplicht worden afgelost, bijvoorbeeld via annuïteit of lineair.

Wanneer loopt de hypotheek af?

Einddatum staat vast. De meeste aflossingsvrije hypotheken eindigen na 30 jaar. Kortere termijnen komen ook voor. Huiseigenaren krijgen 6 tot 12 maanden van tevoren hierover bericht van de bank. Bij afloop toetst de bank het inkomen (nu en pensioen), de woningwaarde en de loan-to-value (de verhouding tussen de hoogte van de lening en de waarde van de woning). Voldoet de huiseigenaar niet aan de gestelde eisen, dan moet hij de hypotheek aflossen met spaargeld, beleggingen of oversluiten naar aflossende vorm.

Vervroegd verlengen mogelijk. Als er nog 10 jaar of minder looptijd rest, kan bij veel banken de hypotheek worden verlengd. Dit is ideaal aan het eind van de rentevaste periode, maar bij een NHG-hypotheek vervalt dan de garantie.

Tip. Bereken voor uw cliënt de loan-to-value ratio. Vraag de recente WOZ-beschikking op en schat de marktwaarde realistisch in.

Aflossen hypotheek

Opties op een rij. Cliënten kunnen aflossen met:

  • spaargeld;
  • opbrengst beleggingen;
  • omzetting naar een annuïteiten- of lineaire hypotheek.

Oversluiten naar een andere bank loont soms door lagere rentecijfers. Maar boeterente bij vroegtijdig aflossen en toetsing op huidige normen spelen hierbij ook mee.

Renteaftrek vervalt. Na 30 jaar bestaat er geen recht meer op hypotheekrenteaftrek. Is de hypotheek afgesloten vóór 2001, dan is de rente nog tot 2031 aftrekbaar. Is de hypotheek later afgesloten, dan heeft men vanaf dat moment recht op 30 jaar renteaftrek.

Tip. Maak een overzicht voor uw cliënt: huidige rente, nieuwe rente bij annuïteit, maandlastenverschil en fiscale impact.

Voordelen blijven aantrekkelijk

Lage lasten voor senioren. Voor cliënten met pensioen en spaargeld blijft een aflossingsvrije hypotheek interessant. De maandlasten zijn laag en de flexibiliteit is hoog.

Verlengingszekerheid. Banken verlengen vaak bij goede ratio en inkomen. Maar anticipeer op de internationale druk: de regels voor aflossingsvrije hypotheken worden aangescherpt.

Let op. Aflossingsvrij is geen zorgplicht voor banken. Uw cliënt moet zelf een plan B hebben voor einddatum.

Informeer cliënten met een aflossingsvrije hypotheek altijd over de einddatum, de loan-to-value en het pensioeninkomen. Reken alternatieven door en adviseer vervroegd verlengen van de hypotheek bij 10 jaar restlooptijd. Zo voorkomt u verrassingen bij verkoop of aflossing.

Vakantiedagen: wat zijn de regels?

Wettelijke en bovenwettelijke vakantiedagen

Wettelijke vakantiedagen. Iedere werknemer bouwt volgens de wet recht op vakantie op. Het minimumaantal dagen is viermaal de overeengekomen arbeidsduur per week (bij een fulltime dienstverband is dat meestal 20 dagen per jaar).

Bovenwettelijke vakantiedagen. Alles wat boven dat wettelijke minimum komt – bijvoorbeeld omdat u in de arbeidsovereenkomst of cao extra dagen heeft afgesproken – noemen we bovenwettelijke vakantiedagen.

Andere regels. U moet dit onderscheid goed bijhouden, want voor wettelijke en bovenwettelijke vakantiedagen gelden andere regels voor verval en verjaring.

Verval en verjaring van vakantiedagen

Verval wettelijke dagen. Wettelijke vakantiedagen vervallen als ze niet zijn opgenomen binnen zes maanden na het kalenderjaar van opbouw. Let op. Dus de wettelijke vakantiedagen die zijn opgebouwd in 2025 vervallen op 1 juli 2026 als ze niet zijn opgenomen.

Verjaring bovenwettelijke dagen. Bovenwettelijke vakantiedagen verjaren pas na vijf jaar vanaf het einde van het jaar waarin ze zijn opgebouwd. Bijvoorbeeld bovenwettelijke dagen opgebouwd in 2025 verjaren op 1 januari 2031.

Uitzondering bij ziekte of onmogelijkheid. Als een werknemer redelijkerwijs niet in staat is geweest om vakantiedagen op te nemen – bijvoorbeeld door langdurige ziekte –vervallen de wettelijke vakantiedagen niet na zes maanden. In dat geval geldt een verjaringstermijn van vijf jaar.

Informatieplicht en uw zorgplicht als werkgever

U moet informeren. Uit recente rechtspraak blijkt dat een werkgever niet alleen moet toestaan dat werknemers vakantiedagen opnemen, maar dat hij hen ook tijdig en actief moet informeren over het verval van vakantiedagen. Als u dit niet doet, kunnen de dagen alsnog blijven bestaan en moet u ze later nog uitbetalen.

Actieve herinnering. Een enkele e-mail is vaak niet voldoende. Het is verstandig om bijvoorbeeld:

  • Jaarlijks aan het begin van het jaar een overzicht te sturen van alle vakantiedagen.
  • In het voorjaar een herinnering te sturen met de vervaldatum (bijv. 1 juli).
  • Dit vast te leggen in uw personeelsadministratie, zodat u kunt aantonen dat u uw werknemers heeft geïnformeerd.

Administratie. Een goede administratie helpt u ook om te onderbouwen wat er is afgesproken over boventallige vakantiedagen en wanneer precies sprake is van verval of verjaring.

Vakantiedagen opnemen

Aanvraag verlof. Werknemers kunnen vakantiedagen opnemen door een verlofaanvraag in te dienen. U moet die aanvraag normaal gesproken goedkeuren, tenzij er zwaarwegende bedrijfsbelangen zijn die dat onmogelijk maken. Dan moet u schriftelijk bezwaar maken binnen twee weken na de aanvraag.

Jaarlijks opnemen. Werknemers moeten ieder jaar de kans krijgen om in ieder geval het wettelijke minimumaantal vakantiedagen op te nemen. U mag daar geen bezwaar tegen maken zonder zwaarwegende reden.

Opnemen bij ziekte. Ook als een werknemer ziek is, loopt de opbouw van vakantiedagen doorgaans door. Wilt u dat een zieke werknemer vakantiedagen opneemt, dan moet u daarvoor toestemming vragen.

Bij einde dienstverband. Wettelijke vakantiedagen die bij het einde van het dienstverband nog niet zijn opgenomen, worden uitbetaald. Boventallige vakantiedagen mogen worden afgekocht als daar een afspraak over is gemaakt, maar u bent daartoe niet verplicht.

Praktische tips

Maak duidelijke afspraken. Leg in uw personeelshandboek of arbeidscontracten vast hoe om te gaan met bovenwettelijke vakantiedagen en wanneer werknemers deze moeten opnemen.

Gebruik een goed systeem. Houd vakantiedagen bij in uw HR- of salarissysteem waarbij u onderscheid maakt tussen wettelijke en bovenwettelijke dagen. Zo ziet u in één oogopslag wat wanneer vervalt of verjaart.

Plan tijdig herinneringen. Stel automatische herinneringen in, zodat werknemers hun deadline voor opname van de vakantiedagen niet missen. Communicatie voorkomt onnodige kosten achteraf.

Benoem vervaldata in salarisstroken. Stuur medewerkers periodiek een overzicht van het vakantiesaldo met de vervaldata erbij. Dat helpt hen hun dagen tijdig op te nemen.

Wees flexibel waar mogelijk. Aangezien vakantie bedoeld is voor herstel en welzijn, stimuleer opname door planning te faciliteren en knelpunten in de personeelsbezetting slim aan te pakken (bijv. via teamplanning).

Controleer en administreer de vakantiedagen van uw werknemers minstens jaarlijks, informeer uw werknemers tijdig schriftelijk over vervaldata en zorg dat zij voldoende gelegenheid hebben om hun wettelijke vakantiedagen op te nemen. Duidelijke afspraken en communicatie voorkomen verrassingen en kosten achteraf.


Wilhelminalaan 1, 1441 EK Purmerend
Tel: 0299-767002 / E-mail: info@partnersinadministraties.nl