- samenwoners zonder testament;
- ouders/kinderen die samen kopen;
- investeerders die gezamenlijk een pand hebben.
Kern. De Rechtbank Amsterdam () bepaalt uiteindelijk dat de zogenoemde ‘eenvoudige gemeenschap’ wordt beëindigd door verkoop van de woning.
“…Doet u waar u goed in bent en laat de rest aan ons over…”
Kern. De Rechtbank Amsterdam () bepaalt uiteindelijk dat de zogenoemde ‘eenvoudige gemeenschap’ wordt beëindigd door verkoop van de woning.
Keuze. De partner vraagt de rechtbank om de woning aan hem toe te delen, met uitkoop van de dochter tegen een vast bedrag, eventueel in termijnen. De dochter wil juist verkoop via een makelaar, met een duidelijke verkoopinstructie en een gelijke verdeling van de opbrengst.
Afweging. De rechtbank weegt onder meer:
Uitkomst. De rechter kiest voor verkoop van de woning, met een vaste procedure en rol voor een makelaar en taxateur. De vordering tot toedeling aan de partner wordt niet gevolgd.
Praktische les. Verwacht niet dat een rechter automatisch kiest voor toedeling aan de bewoner. Als afspraken ontbreken en de verhouding slecht is, ligt verkoop via de markt juridisch vaak meer voor de hand.
Verdeling. Bij een eenvoudige gemeenschap (bijvoorbeeld een woning in mede-eigendom) kan iedere deelgenoot verdeling vragen. De rechtbank heeft ruime vrijheid om de manier van verdeling te bepalen.
Rechter stuurt op verkoop. In deze zaak geeft de rechtbank concreet aan:
Voor u als professional. Dit soort rechterlijke instructies lijkt sterk op een uitgebreide verkoopopdracht. Als makelaar of ontwikkelaar zit u dan midden in een juridisch beladen dossier, met duidelijke verplichtingen voor beide eigenaren.
Makelaarsrol. De rechtbank benoemt expliciet dat partijen de beredeneerde adviezen van de makelaar moeten volgen, onder meer over verkoopstrategie en onderhoud. Dat geeft u ruimte én verantwoordelijkheid.
Belangrijk in de opdracht. Neem in ieder geval de volgende punten in de overeenkomst van opdracht op:
Taxatie en vraagprijs. De rechtbank kan bepalen dat een taxateur of makelaar een bindende waardebepaling doet.
Bij overlijden en ruzie. Breng direct structuur aan:
Communicatie richting erfgenamen. Bespreek het volgende met de erfgenamen:
Alleengebruik. In dit soort situaties woont vaak één eigenaar in de woning en betaalt hij (een deel van) de lasten. De andere eigenaar staat buiten spel. In deze zaak vordert de dochter een gebruiksvergoeding per maand. De rechtbank beoordeelt dit in samenhang met de andere financiële posten.
Praktische aandachtspunten:
Documenteer alles:
Zorg er bij iedere gezamenlijke eigendom voor dat er vanaf het begin duidelijke schriftelijke afspraken zijn over wat er gebeurt bij ruzie, uit elkaar gaan of overlijden. Laat bij conflicten zo snel mogelijk één makelaar of taxateur benoemen die – bij voorkeur bindend – mag adviseren over prijs en verkoopstrategie en leg gebruik, kosten en verdeling direct vast.
De korting bedraagt thans 75% van het normale tarief. Deze korting wordt per 2026 verlaagd naar 30% en tot en met 2028 op 30% gehandhaafd. In 2029 wordt de korting weer verlaagd naar 25% en per 2030 helemaal afgeschaft. Oorspronkelijk zou de korting 25% bedragen tot 2030, dus zijn de voorstellen per saldo een jaarlijkse verhoging van 5%-punt ten opzichte van de oorspronkelijke plannen. De korting voor plug-inhybridepersonenauto’s van thans 25% komt al per 2026 te vervallen.
Niet voor bestelauto’s. De nieuwe korting gaat ook niet voor bestelauto’s gelden. Het huidige kwarttarief komt per 2026 te vervallen. Het kabinet vindt een verdere korting niet nodig, omdat naar verwachting in 2030 al 85 tot 95% van de bestelauto’s elektrisch zal zijn. Ook telt mee dat de meeste bestelauto’s door ondernemers worden gereden en al profiteren van een lagere mrb. Bovendien geldt voor elektrische bestelauto’s een lagere bpm bij aanschaf.
Tijdelijk andere koopwoning. Door een chronisch gebrek aan huurwoningen, ontkomt u er bij de verbouwing van uw woning soms niet aan tijdelijk een andere koopwoning te betrekken. Daarbij is het echter wel van belang dat u de af te dragen overdrachtsbelasting zo veel mogelijk probeert te beperken, anders wordt de verbouwing extra duur.
Startersvrijstelling. De overdrachtsbelasting voor woningen kent twee tarieven en een vrijstelling. De vrijstelling is eenmalig van toepassing voor jongeren van 18 tot 35 jaar bij aanschaf van een woning met een waarde tot € 525.000 (cijfer 2025).
Tarief van 2%. Is de vrijstelling niet van toepassing, dan bedraagt het tarief 2%. Een van de belangrijkste voorwaarden is dan wel dat men de woning anders dan tijdelijk zelf als hoofdverblijf gaat bewonen. Deze voorwaarde geldt ook voor de vrijstelling. Onlangs heeft de rechter meer duidelijkheid gegeven over de vraag wanneer een woning anders dan tijdelijk wordt bewoond. Een belangrijke uitspraak, want als hiervan geen sprake is, dan bedraagt het tarief van de overdrachtsbelasting maar liefst 10,4%.
Zeven maanden. In de betreffende zaak had een echtpaar een woning gekocht die ingrijpend verbouwd moest worden. Om toch over woonruimte te kunnen beschikken, werd er een tweede woning gekocht die gedurende zeven maanden werd bewoond. Daarna waren de verbouwingswerkzaamheden afgerond en werd de eerste woning weer betrokken. In deze zaak stond de vraag centraal welk tarief van de overdrachtsbelasting van toepassing was voor de woning die gedurende zeven maanden bewoond was, 2 of 10,4%?
Termijn zes maanden. Hof Den Haag kwam tot de conclusie dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat met anders dan tijdelijk in beginsel een periode van minstens zes maanden wordt bedoeld. Dit geldt zelfs als op het moment van aankoop van de tweede woning al duidelijk is dat deze slechts tijdelijk als hoofdverblijf zal dienen, omdat er sprake is van verbouwing van een andere woning. De termijn van zes maanden is dus doorslaggevend, al geldt er wel een uitzondering als er sprake is van misbruik of oneigenlijk gebruik (ECLI:NL:GHDHA:2025:766) .
Misbruik of oneigenlijk gebruik. Als er sprake is van misbruik of oneigenlijk gebruik, dan is dus wel het tarief van 10,4% van toepassing, ook als de woning meer dan zes maanden bewoond is. Denk aan het tijdelijk zelf bewonen van een woning, om deze na bijv. zeven maanden direct te gaan verhuren. Op deze manier kan immers ten onrechte van het lage tarief of van de vrijstelling worden geprofiteerd.
Deze uitspraak maakt duidelijk dat het bij de verbouwing van een woning en de aankoop van een tweede woning om gedurende de verbouwing te bewonen, van belang is dat men de vervangende woning minstens zes maanden bewoont. In deze situatie betaalt men namelijk maar 2% overdrachtsbelasting of is de startersvrijstelling van toepassing, een verschil dus van 8,4 respectievelijk 10,4%. Zorg ook dat er geen sprake is van misbruik of oneigenlijk gebruik, want anders betaalt men toch het hoge tarief van 10,4%.
Hoge Raad het laatste woord? Overigens kan de Belastingdienst de zaak nog voorleggen aan de Hoge Raad, dus de uitspraak staat nog niet definitief vast. Wij verwachten echter niet dat de Hoge Raad anders oordeelt dan het hof.
Belastingheffing is een massaal proces waarbij er ieder jaar door de Belastingdienst miljoenen beslissingen moeten worden genomen die via een aanslag of een beschikking bekend worden gemaakt aan de belastingplichtigen.
Oneens met aanslag of beschikking. Waar gewerkt wordt, worden fouten gemaakt en mogelijk wordt ook u een keer het slachtoffer van een foute beslissing van de inspecteur. De fouten kunnen uiteenlopen van een vergissing van de inspecteur tot een handelen tegen beter weten in.
Bezwaar bij Belastingdienst. U kunt dan in bezwaar gaan tegen de beslissing van de inspecteur. Bezwaar indienen doet u gewoon bij de Belastingdienst. De Belastingdienst kijkt opnieuw naar de kwestie en doet uitspraak op uw bezwaarschrift. Let op. Heeft u een klacht tegen de manier waarop u tegemoet bent getreden, dan kunt u hiervoor geen bezwaarschrift indienen, hiervoor geldt een afzonderlijke klachtprocedure. In veel gevallen leidt een bezwaarschrift tot een gunstige beslissing en dan is de zaak op betrekkelijk eenvoudige wijze (en hopelijk snel) opgelost. De procedure is, tenzij u een adviseur inschakelt, in principe kosteloos.
De term bezwaarschrift stamt nog uit de tijd van voor de digitale overheid. Tegenwoordig wil de overheid graag dat u digitaal bezwaar maakt, maar het is ook nog steeds mogelijk om een papieren bezwaarschrift in te dienen. Bezwaar maken kunt u zelf doen, maar u kunt daarvoor vanzelfsprekend ook een gemachtigde inschakelen. Dit komt dan voor uw eigen rekening.
Digitaal. Als u zelf bezwaar maakt, kan het in een betrekkelijk eenvoudige zaak handig zijn om digitaal bezwaar te maken. U wordt dan als vanzelf langs alle relevante vragen geleid en aan het einde van de rit heeft u een bezwaarschrift opgesteld dat aan alle eisen voldoet.
Papieren bezwaarschrift. In veel gevallen kan het handig zijn om toch een papieren bezwaarschrift in te dienen. Dit kan bijv. het geval zijn als u complexe feiten of omstandigheden wilt toelichten of als u bijv. schriftelijke stukken van een accountant of adviseur wilt toevoegen.
De volgende gegevens moeten in ieder geval in uw bezwaarschrift staan:
Pro forma bezwaar maken. Soms weet u nog niet precies wat er aan de hand is of bent u nog in gesprek met de inspecteur. Maak dan pro forma bezwaar en vraag uitstel voor het indienen van de motivering.
Gebreken herstellen. Als uw bezwaarschrift onverhoopt toch niet voldoet aan alle (formele) eisen, zal de Belastingdienst u in de gelegenheid stellen om deze gebreken te herstellen. Doe dit dan binnen de door de Belastingdienst gestelde termijn.
Boete en belastingrente. Vermeld in uw bezwaarschrift altijd expliciet dat u tevens bezwaar maakt tegen een eventueel opgelegde boete en tegen de in rekening gebrachte belastingrente.
Uitstel van betaling. De Belastingdienst geeft u tijdens het bezwaar uitstel van betaling. Als u in bezwaar gaat tegen een deel van de aanslag, krijgt u alleen uitstel voor dat bedrag. Het andere deel moet u op tijd betalen.
Binnen zes weken. U moet uw bezwaarschrift indienen binnen zes weken na dagtekening van de aanslag of de beschikking of na de dag van de voldoening of inhouding. Tip. Waar (bij welke instantie) u uw bezwaarschrift moet indienen, vindt u op de aanslag of de beschikking.
Per post. Als u per post bezwaar maakt, is het tijdig ingediend als u het bezwaarschrift voor het einde van de termijn op de bus doet en dit een week na het einde van de termijn door de Belastingdienst is ontvangen.
Te laat? Te laat indienen is bijna altijd fataal. Uw bezwaar wordt dan niet-ontvankelijk verklaard. Tip. In zeer bijzondere gevallen kan termijnoverschrijding verschoonbaar zijn. Dan wordt uw bezwaar dus toch ontvankelijk verklaard. Let op. Termijnoverschrijding door een professionele gemachtigde wordt vrijwel nooit verschoonbaar geacht.
Daar heeft u recht op. U heeft (op verzoek) het recht om te worden gehoord. Maak hiervan gebruik, zeker als u zich mondeling makkelijker uitdrukt dan schriftelijk.
Op een compromis aansturen? Ook is het in een gesprek met de inspecteur vaak makkelijker een oplossing (compromis) te vinden waarmee uiteindelijk iedereen kan leven.
Ook de inspecteur is aan termijnen gebonden. Hij moet in principe binnen zes weken uitspraak doen. Verlenging van deze termijn met vier weken is mogelijk.
Termijn overschreden. Bij termijnoverschrijding door de inspecteur kunt u aanspraak maken op een kostenvergoeding en een schadevergoeding,
In beroep tegen fictieve afwijzing. Als de inspecteur niet binnen de beslistermijn uitspraak doet, kunt u het niet tijdig uitspraak doen op het bezwaar aanmerken als een afwijzing van uw bezwaar. Tegen deze (fictieve) afwijzing kunt u dan in beroep gaan bij de belastingrechter.
Vraag in uw bezwaarschrift altijd om een vergoeding van de kosten van de bezwaarfase. In de volgende gevallen heeft u mogelijk recht op een tegemoetkoming van deze kosten (dit is niet standaard het geval):
Voor alle zekerheid. Ook als u niet zeker weet of u wel voor een vergoeding in aanmerking komt, kunt u om een kostenvergoeding voor de bezwaarfase vragen. Kwaad kan dit nooit.
Als u een bestaand pand koopt, moet u in beginsel overdrachtsbelasting betalen. Voor woningen bedraagt het tarief 2% als men de woning anders dan tijdelijk zelf als hoofdverblijf gaat bewonen. Er bestaat echter een eenmalige vrijstelling voor meerderjarigen die jonger zijn dan 35 jaar indien de woning niet duurder is dan € 525.000 (2025). Voor woningen die niet anders dan tijdelijk zelf bewoond worden, zoals een vakantiewoning, geldt een tarief van 10,4%. Dit tarief daalt in 2026 naar 8%.
Onlangs werd door Rechtbank Noord-Holland (ECLI:NL:RBNHO:2025:9879) een zaak behandeld, waarbij het ging om de aankoop van een woning die na aankoop gesloopt werd. Na de sloop werd op dezelfde plaats een nieuwe woning gebouwd. De vraag die de rechtbank moest behandelen, was of in dergelijke situaties ook de vrijstelling van overdrachtsbelasting van toepassing kan zijn.
Bedrijfsovername. Aan de aankoop, sloop en herbouw van de woning was een bedrijfsovername voorafgegaan. De koper van de woning had deze samen met zijn vrouw gekocht van zijn oom. De woning was gelegen naast een agrarisch bedrijf, dat de koper samen met zijn broer van de oom had overgenomen.
Verbouwing. De rechtbank stelde om te beginnen vast dat aan de sloop van een woning in samenhang met de vrijstelling in de overdrachtsbelasting, tijdens de parlementaire behandeling geen aandacht was besteed. Er was wel nadrukkelijk stilgestaan bij de gevolgen die samenhangen met de verbouwing van een woning. Bij een verbouwing van een gekochte woning zou deze immers niet direct anders dan tijdelijk worden bewoond en dus kwam de vraag op of dan de vrijstelling verloren zou gaan. Uit cijfers van het Kadaster bleek echter dat van alle gekochte woningen 96% binnen een jaar bewoond werd. Mocht een verbouwing langer duren, dan zou de inspecteur contact op kunnen nemen om te onderzoeken of er aan de eis voldaan ging worden dat de woning anders dan tijdelijk zelf als hoofdverblijf bewoond zou gaan worden. Kon de koper dit niet aannemelijk maken, dan zou alsnog het hoge tarief van toepassing zijn.
Doel en strekking. De rechtbank kwam in deze zaak tot de conclusie dat de vrijstelling in overeenstemming is met doel en strekking van de wet en dus van toepassing is. De kopers zijn immers niet te vergelijken met beleggers, maar natuurlijke personen en starters op de woningmarkt. De gekochte woning is bovendien bedoeld om op het betreffende adres duurzaam te gaan wonen. De sloop gevolgd door herbouw is volgens de rechtbank ook niet aan te merken als oneigenlijk gebruik, aangezien na herbouw de woning daadwerkelijk zelf door de kopers duurzaam bewoond ging worden.
De inspecteur wees nog op een uitspraak waarbij een klooster gesloopt werd en er op die plek nieuwe appartementen werden gebouwd. De rechtbank achtte daar het hoge tarief aan overdrachtsbelasting van toepassing, omdat de koper niet in het klooster maar in het nadien gebouwde appartement duurzaam ging wonen (ECLI:NL:RBZWB:2024:48) . Volgens de rechtbank is dit echter een andere situatie, omdat er nu op het moment van verkrijging van de woning al sprake is van de verkrijging van een bestaande en bewoonbare woning.
Afbouw vrijstelling. Beleggen in milieuvriendelijke fondsen kent een tweetal fiscale voordelen. U heeft recht op een vrijstelling in box 3 en recht op een extra heffingskorting in box 1.
2025. De vrijstelling in box 3 bedraagt in 2025 nog € 26.312 en voor partners het dubbele, € 52.624. Dat is fors minder dan in 2024, toen de vrijstelling nog € 71.251 en € 142.502 bedroeg. Deze afbouw wordt voortgezet.
2026. In 2026 is de vrijstelling nog € 26.715 respectievelijk € 53.413, maar in 2027 nog slechts € 200 respectievelijk € 400. Vanaf 2028 rekenen we in box 3 met het werkelijke rendement.
Verdwijnen heffingskorting. U krijgt momenteel ook nog een heffingskorting over maximaal het bedrag van de vrijstelling. De heffingskorting bedraagt momenteel 0,1%, terwijl dat in 2024 nog 0,7% was. Deze heffingskorting blijft in 2026 0,1%, maar dus over een veel lager maximum. De heffingskorting verdwijnt per 2027.
Automatische incasso. U kunt uw motorrijtuigenbelasting, voorlopige aanslag inkomstenbelasting of voorlopige aanslag Zorgverzekeringswet via automatische incasso betalen. Tip. Dat is eenvoudiger en voorkomt boetes omdat u zo voorkomt dat u te laat bent. Sinds kort kunt u het rekeningnummer van uw automatische incasso zelf digitaal wijzigen. Een stuk makkelijker, want tot nu toe moest hiervoor eerst een machtigingsformulier worden aangevraagd en opgestuurd. Wijzigen kan in het overzicht Betalen en ontvangen dat op uw persoonlijke pagina bij de Belastingdienst staat.
Wijziging treedt direct in. Een wijziging van uw rekeningnummer treedt direct in, want u kunt de wijziging niet op een later moment laten ingaan. Alleen als een wijziging vlak voor het moment van afschrijving is doorgegeven, kan afschrijving van het oude nummer nog voorkomen. Een wijziging kunt u ook via uw gemachtigde door laten geven. U krijgt altijd een schriftelijke bevestiging of een wijziging gelukt is. Digitaal uw rekeningnummer wijzigen, is overigens niet verplicht en kan ook nog schriftelijk.
Huidige regeling. Onder de huidige regels hoeft een btw-ondernemer die bijv. een verbouwing of renovatie aan een pand laat uitvoeren, de btw slechts te herzien aan het einde van het jaar waarin de zaak voor het eerst in gebruik wordt genomen. Als daarna het gebruik verandert, vindt er geen herziening meer plaats.
Met ingang van 1 januari 2026 wordt de herzieningsregeling van de btw-aftrek voor investeringsdiensten uitgebreid. Ondernemers moeten dan tot en met vier jaar na het jaar van ingebruikname nagaan of de oorspronkelijk afgetrokken btw moet worden herzien, afhankelijk van het (gewijzigde) gebruik van het vastgoed voor btw-belaste of btw-vrijgestelde prestaties. Elke investeringsdienst (die onder de nieuwe regeling valt) krijgt daarbij een eigen herzieningstermijn, die start in het jaar van ingebruikname.
Waarom deze verandering? In de praktijk werd er vaak gebruikgemaakt van belastingbesparende constructies. Door het pand in het eerste jaar kort btw-belast te verhuren, werd de btw op verbouwingskosten volledig in aftrek gebracht, terwijl het pand in de jaren daarna btw-vrijgesteld werd verhuurd. Dit leidt tot een ongelijk speelveld tussen vastgoedondernemers.
Voordeel. Aan de andere kant kan de nieuwe herzieningsregeling ook in het voordeel van ondernemers werken. Wanneer een kostbare dienst aanvankelijk is gebruikt voor vrijgestelde prestaties, maar binnen de herzieningsperiode alsnog voor btw-belaste prestaties wordt aangewend, ontstaat er alsnog recht op (gedeeltelijke) aftrek.
Een dienst valt onder de nieuwe herzieningsregeling indien:
Per wanneer? Deze regeling geldt uitsluitend voor investeringsdiensten die op of na 1 januari 2026 in gebruik worden genomen.
Voorbeeld.Een timmerman plaatst nieuwe kozijnen voor € 25.000 (exclusief btw). Daarnaast schildert een schilder de binnenmuren voor € 8.000 (exclusief btw). De btw-herzieningsregeling is hier niet van toepassing, omdat beide diensten afzonderlijk onder de drempel van € 30.000 blijven.
De ingangsdatum van 1 januari 2026 kan in uw voordeel of nadeel werken. Als de nieuwe regeling ertoe leidt dat u een deel van de eerder afgetrokken btw moet terugbetalen (bijv. omdat het gebruik van het pand wijzigt van btw-belast naar btw-vrijgesteld), kan het verstandig zijn om de investeringsdienst nog voor 1 januari 2026 in gebruik te nemen.
De ondernemer in kwestie had sinds 2004 een eenmanszaak in de handel in ijzer- en metaalproducten. In de beginjaren draaide hij omzetten en winst. Vanaf 2018 sloeg het tij echter om: er werd geen omzet meer behaald en de resultaten waren elk jaar negatief. In 2020 gaf hij een negatief resultaat als winst uit onderneming van ruim € 8.500 aan in zijn aangifte inkomstenbelasting. De Belastingdienst accepteerde dit verlies niet, omdat een negatief resultaat alleen in aanmerking kan worden genomen als er sprake is van een bron van inkomen.
Volgens vaste rechtspraak is er sprake van een bron van inkomen indien cumulatief aan de volgende drie voorwaarden is voldaan:
Het hof (ECLI:NL:GHDHA:2025:1763) stelde de Belastingdienst in het gelijk en oordeelde dat er in 2020 geen sprake was van een objectieve voordeelsverwachting.
Geen omzet sinds 2018. De ondernemer had al meerdere jaren uitsluitend verliezen en geen omzet. Daarmee rustte de bewijslast op hem om aannemelijk te maken dat er nog steeds een reële kans op winst bestond. Ter onderbouwing dat er nog een reële kans op winst bestond, voerde de ondernemer diverse stukken aan, zoals offertes uit 2017-2019. Het hof oordeelde echter dat deze stukken niet relevant waren voor 2020, omdat deze geen inzicht boden in daadwerkelijk in dat jaar ontplooide activiteiten en geen concreet uitzicht gaven op toekomstige, redelijkerwijs te verwachten positieve resultaten.
De ondernemer voerde nog aan dat de coronapandemie hem belemmerde in zijn activiteiten en daardoor minder opbrengsten opleverde. Het hof vond dit geen overtuigend argument, omdat uit de aangiften omzetbelasting bleek dat er vanaf 2018 tot en met het eerste kwartaal van 2025 helemaal geen omzet was behaald. De verliezen liepen dus ook na de coronapandemie onverminderd door.
Vertrouwensbeginsel ook niet. Het hof verwierp ook de beroepen op het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Dat de inspecteur in 2021 en 2022 de aangiften had gevolgd, kwam doordat de aanslagregelaar de aangiften IB/PVV 2021 en 2022 abusievelijk niet had geblokkeerd, wat volgens het hof niet kan worden aangemerkt als een weloverwogen standpuntbepaling. De vraag of er sprake is van een bron van inkomen, moet bovendien ieder jaar afzonderlijk worden beoordeeld, zodat het eerdere oordeel uit 2004 bij de start van de onderneming geen doorslaggevende betekenis had voor 2020.
Inspecteur was zorgvuldig. Tot slot had de inspecteur zorgvuldig gehandeld door belanghebbende tijdig te informeren over zijn voornemen van de aangifte af te wijken en hem de gelegenheid te geven te reageren. Het zorgvuldigheidsbeginsel is daarmee niet geschonden.
Het bedrag dat belastingvrij geschonken kan worden, is afhankelijk van de relatie tussen de schenker en de begiftigde. In ouder-kindsituaties is dit voor 2025 een bedrag van € 6.713. Door te schenken is het vermogen dat bij overlijden vererft, kleiner en daardoor zal er minder erfbelasting hoeven te worden betaald. Schenken wordt in deze zin wel eens beschouwd als een voorschot op de erfenis. Daarbij geldt meestal het uitgangspunt: eens geschonken, blijft geschonken.
Schenking < 180 dagen voor overlijden. In artikel 12 van de Successiewet 1956 is een regeling opgenomen voor schenkingen die binnen 180 dagen voor overlijden zijn gedaan. Deze bepaling luidt: “Al wat binnen 180 dagen aan het overlijden voorafgegaan is geschonken door een erflater, die ten tijde van dat overlijden in Nederland woonde, wordt, voor de regeling van de erfbelasting, geacht krachtens erfrecht door het overlijden te zijn verkregen.”
Uitzondering op de regel. Op schenkingen waarvoor de verhoogde vrijstelling geldt, is de 180-dagenregeling niet van toepassing. Wat houdt de verhoogde vrijstelling precies in? Dit is geregeld in artikel 33, onderdeel 5 van de Successiewet 1956: “Hetgeen wordt verkregen door een kind van de ouders, tot een bedrag van € 6.713, met dien verstande dat dit bedrag voor een kind tussen 18 en 40 jaar voor één kalenderjaar wordt verhoogd, mits op deze verhoogde vrijstelling in de aangifte een beroep wordt gedaan, tot een bedrag van € 32.195 of € 67.064, indien het bedrag is bestemd voor de betaling van kosten van een studie of de opleiding voor een beroep ten behoeve van dat kind en deze kosten aanzienlijk hoger zijn dan gebruikelijk.”
Schenking op het sterfbed . Is het nog mogelijk om op het sterfbed een schenking te doen waarbij een beroep kan worden gedaan op de verhoogde vrijstelling, dan is dat erg aantrekkelijk. Deze schenkingen worden namelijk niet fictief bij de nalatenschap opgeteld.
Is de erfenis die een erfgenaam krijgt in totaal hoger dan de vrijstelling, dan moet de erfgenaam erfbelasting betalen en aangifte erfbelasting doen. Als er al schenkbelasting is betaald over een deel van de erfenis, berekent de Belastingdienst niet twee keer zo veel belasting. De Belastingdienst trekt namelijk een evenredig deel van de betaalde schenkbelasting af van de erfbelasting. Let op. Heeft de erfgenaam meer schenkbelasting betaald dan hij aan erfbelasting moet betalen, dan krijgt hij het verschil niet terug.
Voorbeeld Belastingdienst.Op 1 februari 2025 schenkt Elisabeth haar zoon Tom € 36.600. Tom betaalt daarover € 2.988 schenkbelasting. Elisabeth overlijdt kort daarna op 25 mei. Tom erft nog € 25.000. De totale erfenis die Tom krijgt, is € 25.000 plus de eerdere schenking van € 36.600. Bij elkaar € 61.600.
Vrijstelling. Voor Tom geldt als zoon een vrijstelling voor de erfbelasting van € 25.490. Na aftrek van de vrijstelling betaalt Tom 10% erfbelasting over € 36.110, dat is € 3.611. De Belastingdienst verrekent een evenredig deel van de al betaalde schenkbelasting met de erfbelasting die Tom nog moet betalen. Het evenredige deel van de schenkbelasting berekent de Belastingdienst als volgt: (€ 36.600 / € 61.600) × € 3.611 = € 2.145. € 3.611 -/- € 2.145 = € 1.466. De erfbelasting die Tom moet betalen is € 1.466.