“…Doet u waar u goed in bent en laat de rest aan ons over…”

Bestelauto met dubbele cabine: let op de zijruiten!

De Belastingdienst heeft onlangs een kennisgroepstandpunt geactualiseerd over het tellen van zijruiten in de laadruimte van een bestelauto met dubbele cabine. Wanneer is dit van belang? Wat zijn de fiscale gevolgen als uw bestelauto niet aan de eisen voldoet?

Waarom is dit belangrijk? Heeft u een bestelauto met dubbele cabine in uw onderneming? Dan betaalt u voor de motorrijtuigenbelasting (MRB) en de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) een lager tarief dan voor een personenauto. Maar dat lagere tarief geldt alleen als uw bestelauto aan bepaalde inrichtingseisen voldoet. Één van die eisen gaat over het aantal zijruiten in de laadruimte. Voldoet u niet aan die eis, dan wordt uw bestelauto fiscaal gezien als personenauto en dat kan u een flinke naheffing opleveren.

De Belastingdienst heeft op 7 mei 2026 een eerder standpunt over dit onderwerp geactualiseerd (kenmerk KG:013:2026:1). Reden genoeg om dit onderwerp eens goed uit te leggen.

Wat zijn de inrichtingseisen voor een bestelauto?

Om als bestelauto te worden aangemerkt, moet uw voertuig aan een aantal eisen voldoen. Die eisen staan in de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Wet BPM 1992) en de Wet Motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet MRB 1994). De eisen gaan over de afmetingen van de laadruimte, de aanwezigheid van een tussenschot en het aantal zijruiten.

Vier categorieën. De Belastingdienst maakt onderscheid tussen vier soorten bestelauto’s: grote bestelauto’s, kleine bestelauto’s, kleine bestelauto’s met een hoog dak en bestelauto’s met een dubbele cabine. Voor elke categorie gelden iets andere eisen (Eisen motorrijtuigenbelasting aan ombouw en inrichting bestelauto | Belastingdienst). In dit artikel gaan we in op de bestelauto met een dubbele cabine. Dit is een bestelauto met een extra rij zitplaatsen achter de bestuurderscabine.

De eis voor zijruiten. Aan de rechterzijde van de laadruimte mag bij een bestelauto met dubbele cabine maximaal één zijruit aanwezig zijn. Aan de linkerzijde mag helemaal geen zijruit aanwezig zijn. Zijn er van fabriekswege meer zijruiten aangebracht, dan moeten deze worden verwijderd en vervangen door vaste, ondoorzichtige panelen die op onverbrekelijke wijze met de carrosserie zijn verbonden. ‘Onverbrekelijk’ betekent dat u de panelen niet kunt verwijderen zonder te zagen of te breken. Schroeven, klemmen of bouten zijn dus niet toegestaan.

Wat was de vraag in het geactualiseerde standpunt?

In de laadruimte van een bepaalde bestelauto met dubbele cabine zitten aan de rechterzijde twee afzonderlijke zijruiten, gescheiden door een vaste raamstijl. Om aan de inrichtingseisen te voldoen, zijn deze twee oorspronkelijke zijruiten verwijderd. De raamstijl zelf is blijven zitten. Aan de buitenkant van de laadruimte is vervolgens één grote zijruit aangebracht.

De vraag. Telt dit als één zijruit of als twee? En voldoet de auto daarmee aan de inrichtingseisen voor een bestelauto?

Het antwoord van de Belastingdienst. Ja, de auto kwalificeert als bestelauto. Als men van buitenaf naar de laadruimte kijkt, is er immers maar één zijruit zichtbaar. Het feit dat er aan de binnenkant nog een raamstijl aanwezig is, doet daar niet aan af. De beoordeling vindt plaats op basis van de buitenkant van de carrosserie.

Wat zijn de gevolgen als uw bestelauto niet voldoet?

Als uw bestelauto niet aan de inrichtingseisen voldoet, wordt het voertuig fiscaal aangemerkt als personenauto. Dat heeft de volgende gevolgen:

  • U betaalt motorrijtuigenbelasting naar het hogere tarief voor personenauto’s, inclusief provinciale opcenten.
  • Als voor de bestelauto eerder BPM-teruggaaf is verleend, moet u de rest-BPM terugbetalen.
  • De bijtelling voor privégebruik van de auto kan veranderen, omdat de bijtellingsregels voor personenauto’s en bestelauto’s kunnen verschillen.

Let op bij ombouw. Bouwt u uw bestelauto om, bijvoorbeeld door extra zitplaatsen of zijruiten toe te voegen? Controleer dan altijd eerst of uw auto daarna nog steeds aan de inrichtingseisen voldoet. Doet u dat niet, dan riskeert u een naheffing van BPM en MRB.

Praktische tips

Controleer uw eigen bestelauto. Heeft u een bestelauto met dubbele cabine? Kijk dan hoeveel zijruiten er aan de rechterkant van de laadruimte zichtbaar zijn aan de buitenzijde. Is dat er één, dan voldoet u aan de eis. Zijn er meer zijruiten zichtbaar, dan moet u actie ondernemen.

Kijk naar de buitenkant. Uit het geactualiseerde standpunt van de Belastingdienst blijkt dat de beoordeling plaatsvindt op basis van wat van buitenaf zichtbaar is. Zijn er van buitenaf twee zijruiten zichtbaar, dan telt dat als twee. Bent u aan de binnenkant iets van plan, zoals het aanbrengen van panelen? Zorg er dan altijd voor dat de situatie aan de buitenkant klopt.

Laat ombouw professioneel uitvoeren. Wilt u uw bestelauto ombouwen zodat die aan de inrichtingseisen voldoet? Overweeg dan om dat te laten doen door een erkend bedrijf dat verstand heeft van de fiscale eisen. De panelen moeten immers op de juiste manier worden aangebracht: op onverbrekelijke wijze, zoveel mogelijk rondom, direct aan de carrosserie. Een foute ombouw wordt door de Belastingdienst bij een controle direct afgewezen.

Glaslookpanelen zijn toegestaan. Als de laadruimte van uw bestelauto niet is voorzien van zijruiten of alleen aan de rechterkant van één zijruit is voorzien, mag u aan de buitenkant van de laadruimte wel glaslookpanelen of panelen van glas (met E-keurmerk) monteren.

Controleer voor uw bestelauto met dubbele cabine altijd hoeveel zijruiten er aan de rechterkant van de laadruimte van buitenaf zichtbaar zijn. Dat mag er maximaal één zijn. Wilt u uw bestelauto ombouwen zodat die aan de inrichtingseisen voldoet, overweeg dan om dat te laten doen door een erkend bedrijf dat verstand heeft van de fiscale eisen.

Zwarte kas? De Belastingdienst schat de omzet zelf

Een ondernemer met vier winkels hield een handgeschreven schaduwboekhouding bij in een schoudertas. Dat kwam hem bij de rechter duur te staan. Wat gebeurt er als de Belastingdienst vermoedt dat er omzet is verzwegen? En wat zijn de gevolgen?

‘Officiële’ boekhouding. Iedere ondernemer is verplicht een administratie bij te houden die aansluit op de werkelijke omzet en kosten. Die administratie vormt de basis voor de aangifte inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting en voor de btw-aangifte.

Schaduwboekhouding. Een schaduwboekhouding is een tweede, inofficiële administratie die de werkelijke omzet bijhoudt, terwijl de officiële boekhouding een lagere omzet laat zien. Met andere woorden: de ondernemer houdt bij hoeveel hij werkelijk verdient, maar geeft een deel niet op bij de Belastingdienst.

Wat speelde er in deze zaak?

Zwarte schoudertas. Een ondernemer exploiteerde vier winkels als eenmanszaak, waar hij onder meer souvenirartikelen, wietzaden, headshopartikelen en voedingswaren verkocht. Hij gaf over 2018 een belastbaar inkomen op van € 103.277. De Belastingdienst en de Douane deden een onaangekondigde controle op de werkvloer. In een zwarte schoudertas troffen zij een handgeschreven schaduwboekhouding aan over de periode september 2018 tot en met februari 2019. Uit nader boekenonderzoek bleek dat de ondernemer maar liefst 53,2% van zijn omzet niet had verantwoord. De inspecteur legde een aanslag op naar een belastbaar inkomen van € 680.774, ruim zes keer zo hoog als aangegeven.

Was die schoudertas zomaar doorzocht? De ondernemer probeerde de schaduwboekhouding buiten de procedure te houden door te stellen dat het bewijs onrechtmatig was verkregen. De rechtbank ging daar aanvankelijk in mee, maar Gerechtshof Amsterdam dacht daar anders over (ECLI:NL:GHAMS:2025:3746).

Oordeel Hof. Het hof oordeelde dat de Douane bevoegd was de controle uit te voeren op grond van de Wet op de accijns, omdat er een vermoeden was van accijnsgoederen (blunts). De bedrijfsleider had bovendien zelf verklaard bevoegd te zijn namens de ondernemer te spreken. Het verzoek om de tas leeg te maken viel daarmee binnen de wettelijke controlebevoegdheden. Van onrechtmatig bewijs was dus geen sprake.

Wat is omkering van de bewijslast?

Normaal gesproken moet de Belastingdienst bewijzen dat uw aangifte niet klopt. Bij omkering van de bewijslast wordt dit omgedraaid: u moet dan zelf aantonen dat de aanslag van de inspecteur onjuist is. Dat is een veel zwaardere positie.

Wanneer wordt de bewijslast omgekeerd? Dat gebeurt in ieder geval als:

  • u niet voldoet aan uw administratieplicht (u voert geen deugdelijke administratie);
  • u de vereiste aangifte niet heeft gedaan (u heeft bewust te weinig inkomen of omzet opgegeven).

In deze zaak was aan beide voorwaarden voldaan. De schaduwboekhouding bewees dat de ondernemer structureel en bewust omzet afroomde. Bovendien had hij opzettelijk de kassacontroles buiten werking gesteld.

Hoe schat de Belastingdienst dan de omzet? Als de bewijslast is omgekeerd, mag de inspecteur de omzet schatten. Die schatting moet wel redelijk zijn. In deze zaak extrapoleerde de inspecteur de gegevens uit de schaduwboekhouding — die alleen de laatste maanden van 2018 besloeg — naar het gehele jaar 2018.

Was die extrapolatie toegestaan? Ja, oordeelde het hof. De bedrijfsleider had zelf verklaard dat de werkwijze ook in 2016 en 2019 gelijk was geweest. Bovendien was het onwaarschijnlijk dat de omzet in de eerste acht maanden van het jaar lager zou zijn geweest: de zomermaanden zijn voor een souvenirwinkel juist het hoogseizoen. De totale aanslag van € 680.774 belastbaar inkomen bleef dan ook in stand.

Wat zijn de risico’s?

De gevolgen van een gebrekkige of frauduleuze administratie zijn groot:

  • De Belastingdienst legt een (veel hogere) aanslag op op basis van een schatting.
  • U heeft als ondernemer de zware taak om die schatting te weerleggen, terwijl u tegelijkertijd geen betrouwbare administratie heeft om dat te doen.
  • Naast de aanslag kunnen ook vergrijpboetes worden opgelegd, die kunnen oplopen tot 100% van de verschuldigde belasting.
  • In ernstige gevallen is strafrechtelijke vervolging mogelijk wegens belastingfraude.

Praktische tips voor een deugdelijke administratie

Bewaar alles. Bewaar alle inkomsten en uitgaven, bonnen, facturen en bankafschriften. De wettelijke bewaartermijn is zeven jaar (tien jaar voor onroerende zaken).

Gebruik een kassasysteem. Zorg voor een betrouwbaar kassasysteem dat u niet handmatig kunt omzeilen. Geprinte kassarollen of digitale kasregistergegevens vormen een belangrijk onderdeel van uw administratie.

Sluit uw administratie aan op uw aangifte. Controleer regelmatig of uw boekhouding aansluit op uw btw-aangiften en uw jaaraangifte. Grote verschillen vallen snel op bij een boekenonderzoek.

Wees voorbereid op een onaangekondigde controle. De Belastingdienst en de Douane hebben de bevoegdheid om onaangekondigd een waarneming ter plaatse te doen. Alles wat tijdens zo’n controle wordt aangetroffen, ook in een tas of la, kan als bewijs worden gebruikt.

Een schaduwboekhouding is rampzalig. Zorg dat uw officiële administratie volledig en correct is. Klopt er iets niet in uw boekhouding of bent u achterstallig met aangiften? Herstel dit dan zo snel mogelijk en doe zo nodig een vrijwillige verbetering van uw aangifte. Hoe langer u wacht, hoe groter de financiële en juridische gevolgen.

Bent u aansprakelijk als bestuurder van uw BV?

Beperkte aansprakelijkheid: de hoofdregel

De BV beschermt u. Eén van de grote voordelen van ondernemen via een BV is de beperkte aansprakelijkheid. In beginsel zijn de schulden van de BV schulden van de BV zelf, niet van u persoonlijk. Als de BV een contract niet nakomt of failliet gaat, kunnen schuldeisers zich in principe niet verhalen op uw privévermogen.

Let op. Maar op deze hoofdregel bestaan uitzonderingen. Juist als dga die tegelijk bestuurder is, loopt u het risico persoonlijk aansprakelijk te worden gesteld. Dat risico is groter dan veel ondernemers denken.

Wanneer bent u wel persoonlijk aansprakelijk?

De wet en de rechtspraak kennen verschillende situaties waarin een bestuurder persoonlijk aansprakelijk kan zijn. De bekendste zijn:

Interne aansprakelijkheid. Dit speelt in de verhouding tussen u en de BV zelf. Als bestuurder moet u uw taak ‘behoorlijk vervullen’. Doet u dat niet en lijdt de BV daardoor schade, dan kunt u tegenover de BV aansprakelijk zijn. Bij een faillissement kan de curator dit inroepen. Denk aan situaties waarbij u als bestuurder roekeloos grote risico’s neemt, de administratie niet op orde houdt of jaarrekeningen niet tijdig deponeert bij de Kamer van Koophandel.

Externe aansprakelijkheid. Dit gaat over aansprakelijkheid jegens derden, zoals schuldeisers, leveranciers of de Belastingdienst. De wet bepaalt dat een bestuurder persoonlijk aansprakelijk is als hem een ‘ernstig verwijt’ kan worden gemaakt.

Belastingschulden en premies. Als uw BV belasting- of premieschulden niet kan betalen, bent u als bestuurder verplicht dit tijdig te melden bij de Belastingdienst of het UWV (melding betalingsonmacht). Doet u dat niet, dan wordt vermoed dat de niet-betaling aan u te wijten is. U bent dan hoofdelijk aansprakelijk voor die schulden. Tijdig melden is dus essentieel. Dit geldt ook voor betalingsonmacht bij een bedrijfstakpensioenfonds.

Wat is een ‘ernstig verwijt’?

Selectief betalen. Een ernstig verwijt kan worden aangenomen als u vlak voor een faillissement bepaalde schuldeisers wel betaalt en andere niet, terwijl u wist dat de BV niet meer aan al haar verplichtingen kon voldoen. U bevoordeelt dan sommige schuldeisers (bijvoorbeeld uzelf of familieleden) ten nadele van anderen.

Nieuwe verplichtingen aangaan. Wist u of had u kunnen weten dat de BV een nieuw contract niet kon nakomen? Dan kunt u als bestuurder persoonlijk aansprakelijk zijn tegenover de wederpartij die schade lijdt doordat de BV niet betaalt.

Onbehoorlijk bestuur. Denk aan het niet voeren van een deugdelijke boekhouding, het niet tijdig deponeren van de jaarrekening of het uitkeren van dividend terwijl de BV dat eigenlijk niet kan dragen. Bij een te laat gedeponeerde jaarrekening geldt zelfs een wettelijk vermoeden van onbehoorlijk bestuur bij een faillissement, u moet dan zelf het tegendeel bewijzen.

Aansprakelijkheid beperken

Een aantal concrete stappen helpt u het risico op persoonlijke aansprakelijkheid te verkleinen:

Houd uw administratie op orde. Zorg dat de boekhouding altijd actueel en volledig is. Dit is niet alleen wettelijk verplicht, maar ook uw beste verweer bij een eventuele claim.

Deponeer de jaarrekening op tijd. De jaarrekening moet binnen twaalf maanden na afloop van het boekjaar worden gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel. Te laat deponeren vergroot uw aansprakelijkheidsrisico bij een faillissement aanzienlijk.

Meld betalingsonmacht tijdig. Kan de BV belasting- of premieschulden niet betalen? Meld dit dan direct en schriftelijk bij de Belastingdienst, het UWV en/of het bedrijfstakpensioenfonds. Wacht niet af.

Wees voorzichtig met dividenduitkeringen. Keer alleen dividend uit als de BV dat financieel aankan. Voer een liquiditeitstoets en vermogenstoets uit: kunnen de schulden van de BV na de uitkering nog worden voldaan? Zo niet, dan kan de uitkering worden teruggedraaid en bent u als bestuurder aansprakelijk.

Leg bestuursbesluiten vast. Notuleer vergaderingen en leg belangrijke besluiten schriftelijk vast. Dit beschermt u als later discussie ontstaat over wat er is besloten en waarom.

Bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering

Een verzekering als extra bescherming. Naast het nemen van voorzorgsmaatregelen kunt u als dga ook een bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering afsluiten. Deze verzekering dekt de kosten van verweer en een eventuele schadevergoeding als u persoonlijk aansprakelijk wordt gesteld voor schade die u in uw hoedanigheid als bestuurder heeft veroorzaakt.

Wat dekt de verzekering? De dekking verschilt per polis, maar in de regel zijn gedekt: de kosten van juridische bijstand, schadevergoedingen aan derden en de kosten van een eventuele procedure. Bewuste fraude of opzet is doorgaans uitgesloten.

Wat kost het? De premie hangt af van de omvang van uw BV, de branche en de dekkingsomvang. Vraag meerdere offertes op en vergelijk de polisvoorwaarden zorgvuldig, in het bijzonder de uitsluitingen.

Controleer of uw administratie en jaarrekening op orde zijn. Voldoe bij betalingsonmacht aan uw meldingsplicht bij de Belastingdienst, het UWV en het bedrijfstakpensioenfonds. Dit zijn de meest directe manieren om uw persoonlijke aansprakelijkheidsrisico als bestuurder te beperken. Overweeg daarnaast een bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering.

LAT-relatie en schenking, hoe zit het met de schenkbelasting?

Bij Hof ’s-Hertogenbosch speelde onlangs een procedure waarbij twee kinderen een schenking hadden gedaan aan de LAT-partner van hun overleden vader. De vraag was of er in dit geval een vrijstelling van schenkbelasting geldt.

Wat is een LAT-relatie? Een LAT-relatie is een liefdesrelatie waarbij twee mensen elk in hun eigen woning blijven wonen. Ze zijn dus geen samenwoners en ook niet getrouwd of geregistreerd partners. Fiscaal gezien zijn zij voor de Belastingdienst ‘vreemden’ voor elkaar, tenzij zij aan bepaalde voorwaarden voldoen om als fiscaal partner te worden aangemerkt.

Wat speelde er in de rechtszaak?

Een vrouw had anderhalf jaar een LAT-relatie met een man die in 2019 overleed. De man liet zijn twee zoons als enige erfgenamen achter. De zoons sloten een vaststellingsovereenkomst met de vrouw en betaalden haar in totaal € 500.000 (ieder € 250.000). De reden: zij waren van mening dat hun vader het voornemen had om bij zijn overlijden in haar levensonderhoud te voorzien.

Beroep op vrijstelling: natuurlijke verbintenis. In de aangiften schenkbelasting deed de vrouw een beroep op de vrijstelling voor de zogenoemde ‘voldoening aan een natuurlijke verbintenis’. Die vrijstelling houdt in dat u geen schenkbelasting hoeft te betalen als de betaling voortkomt uit een dringende morele verplichting. De Belastingdienst weigerde die vrijstelling toe te passen. De vrouw ging in beroep, maar verloor.

Wat zei het hof?

Hof ‘s-Hertogenbosch oordeelde op 29 april 2026 (ECLI:NL:GHSHE:2026:1128) dat de vrijstelling niet van toepassing is. Het hof gaf daarvoor twee redenen.

Geen verplichting van de vader. De vrouw stelde dat op haar overleden partner een dringende morele verplichting rustte om in haar levensonderhoud te voorzien. Maar het hof vond dat onvoldoende aannemelijk. Er was weliswaar een handgeschreven, niet-ondertekend stuk van de man, maar daaruit bleek niet dat hij zelf uitvoering had gegeven aan zo’n verplichting of zijn zoons daartoe had aangezet. Bovendien gold het stuk niet als een geldig testament. Een relatie van anderhalf jaar was ook te kort om een dringende morele verplichting te onderbouwen.

Geen verplichting van de zoons zelf. Het hof keek vervolgens of de zoons zelf een morele verplichting hadden jegens de vrouw. Dat was evenmin het geval. Dat de zoons in de vaststellingsovereenkomst schreven dat zij een dringende morele verplichting ervoeren, is niet genoeg. De rechter beoordeelt dit objectief, aan de hand van wat in de samenleving als redelijk en billijk wordt beschouwd. Er was geen bijzondere band tussen de vrouw en de zoons, de vader had zijn zoons er niet toe aangezet en de vrouw gaf zelf aan dat zij, gelet op haar leeftijd, niet als stiefmoeder kon worden gezien. De schenkingen waren daarmee gewoon belast.

Wat kunt u zelf doen?

Heeft u een LAT-relatie en wilt u dat uw partner financieel goed achterblijft als u overlijdt? Laat dat dan goed vastleggen. Er zijn verschillende mogelijkheden.

  • Stel een testament op. Daarin kunt u uw LAT-partner als erfgenaam of legataris aanwijzen. Vermeld ook uw beweegredenen, zodat uw wil duidelijk is.
  • Regel het bij leven. U kunt jaarlijks gebruikmaken van de schenkingsvrijstelling. In 2026 is die voor niet-partners € 2.769. Hogere schenkingen zijn belast.
  • Word fiscaal partner. Woont u minimaal zes maanden samen en staat u beiden ingeschreven op hetzelfde adres, dan kunt u in bepaalde gevallen fiscaal partner worden. Daarmee gelden gunstigere tarieven en vrijstellingen bij schenken en erven.
  • Sluit een samenlevingscontract. Dit vergroot de kans om als fiscaal partner te worden aangemerkt en geeft u ook andere rechten.

Heeft u een LAT-relatie en wilt u uw partner goed beschermd weten, leg uw wensen dan nu vast in een testament. Een mondeling voornemen of een kladbriefje is onvoldoende en beschermt uw partner niet tegen een hoge belastingaanslag.

Verrekenen bij eindafrekening, waar moet u op letten?

Wat speelde er?

Eindafrekening. In de uitspraak van Rechtbank Overijssel van 7 april 2026 (ECLI:NL:RBOVE:2026:1877) ging het om een arbeidsovereenkomst die van rechtswege eindigde. De werkgever maakte vervolgens een eindafrekening en bracht daarop bedragen in mindering voor te veel opgenomen verlofuren en voor kosten die samenhingen met het rijklaar maken van een privéauto van de werknemer.

Probleem. De rechter oordeelde dat de werkgever daarbij geen rekening had gehouden met de wettelijke beschermingsregel. De werkgever had te veel verrekend met het loon. Dat leidde niet alleen tot nabetaling, maar ook tot een wettelijke verhoging van 25%.

Let op. Verrekenen bij uitdiensttreding mag soms wel, maar u moet altijd eerst controleren welk deel van het loon u überhaupt mag gebruiken voor verrekening. Doet u dat niet, dan kan een op zichzelf terechte vordering alsnog verkeerd worden afgehandeld.

Wat mocht de werkgever wel verrekenen?

Verlofsaldo. De werkgever kon in deze zaak aantonen dat de werknemer meer verlofuren had opgenomen dan er waren opgebouwd. De rechter accepteerde daarom een verrekenbare vordering van € 2.329 bruto.

Autokosten. Ook de kosten voor het rijklaar maken van de importauto kwamen in beginsel voor rekening van de werknemer. De rechter vond die afspraak voldoende aannemelijk op basis van een e-mail waarin de kosten al waren genoemd en besproken.

Belangrijk punt. Het ging dus niet om de vraag of de werkgever helemaal niets mocht verrekenen. De kern van de zaak was dat de werkgever dat alleen binnen de wettelijke grenzen mocht doen. Juist daar ging het mis.

De grens bij loonverrekening

Minimumloon. Bij het einde van de arbeidsovereenkomst mag u in beginsel meer verrekenen dan tijdens het dienstverband, maar niet over het deel van het loon dat u moet vrijlaten op grond van het minimumloon en de minimumvakantiebijslag. Dit is geregeld in artikel 7:632 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek.

In deze zaak. De werknemer had over augustus 2024 recht op een brutoloon en vakantiegeld samen van € 3.765,85. Daarvan moest de werkgever € 2.432,85 vrijlaten. Omdat de werkgever dat niet deed, was slechts een deel van de vordering verrekenbaar.

Gevolg. De rechter rekende uit dat de werkgever ongeveer € 2.415 bruto te weinig had uitbetaald. Dat bedrag moest alsnog worden betaald, met daarover een wettelijke verhoging van 25%.

Voorwaardelijke salarisverhoging

Geen stilzwijgende voorwaarde. De werkgever stelde ook dat een loonsverhoging van € 1.000 bruto per maand alleen gold als de werknemer in dienst zou blijven. De rechter ging daar niet in mee.

Waarom niet? De verhoging was al feitelijk uitbetaald en er stond nergens duidelijk vast dat aan die verhoging een voorwaarde was verbonden. Ook gebruikte de werkgever zelf dat hogere loon als uitgangspunt bij de berekening van de verlofuren.

Les voor de praktijk. Als u een salarisverhoging of bonus afhankelijk wilt maken van een voorwaarde, zet dat dan zwart op wit. Zonder duidelijke schriftelijke afspraak loopt u het risico dat de afspraak gewoon geldt zoals hij is uitgevoerd.

Wat betekent dit voor u?

Controleer eerst. Maak bij iedere eindafrekening een aparte controle van drie punten: hoeveel loon nog openstaat, welke vorderingen u heeft op de werknemer en welk deel u volgens de wet mag verrekenen.

Schriftelijk vastleggen. Leg afspraken over voorschotten, privégebruik van spullen, kostenvergoedingen en loonafspraken altijd schriftelijk vast. Dat voorkomt discussie als het dienstverband eindigt.

Houd de administratie bij. Zorg voor een overzicht van verlofuren, ziekmeldingen en eventuele verrekenbare kosten. Als u achteraf moet reconstrueren wat iemand nog tegoed had, wordt uw positie snel zwakker.

Wees voorzichtig. Het is verleidelijk om “alles in één keer” te verrekenen. Toch is dat vaak precies waar het misgaat. U kunt een vordering wel hebben, maar toch niet volledig op het laatste loon in mindering brengen.

Maak bij het einde van het dienstverband altijd een aparte controle van de verrekenregels voordat u de eindafrekening verstuurt. Zorg dat u minimaal het wettelijke vrij te laten loon uitbetaalt en leg voorwaardelijke afspraken vooraf duidelijk vast.

Balkonbeglazing: geen 9% btw maar 21%

Wat speelt er?

Het komt geregeld voor dat woningeigenaren hun balkon laten voorzien van beglazing. De constructie bestaat uit profielen en rails die aan het balkon of de gevel worden bevestigd, waarna de beglazing wordt geplaatst. Het resultaat is een afgesloten balkon dat bescherming biedt tegen wind en regen en een extra leefruimte creëert. Als bouwondernemer of zzp’er die dit soort werk uitvoert, is de vraag welk btw-tarief u moet hanteren.

De Belastingdienst heeft hierover op 8 mei 2026 een kennisgroepstandpunt gepubliceerd (KG:210:2026:3). Het antwoord is duidelijk: het plaatsen van balkonbeglazing valt niet onder het verlaagde btw-tarief van 9%.

Wanneer geldt het 9%-tarief?

Energiebesparing woningen. Het verlaagde btw-tarief van 9% geldt voor een beperkt aantal werkzaamheden aan woningen. Relevant voor dit onderwerp is de zogenoemde post b.19: het aanbrengen van op energiebesparing gericht isolatiemateriaal aan vloeren, muren en daken van woningen die ouder zijn dan twee jaar. Denk aan het aanbrengen van glaswol, steenwol of andere isolatiematerialen met als doel de woning energiezuiniger te maken.

Isolerend glas. Ook het aanbrengen van isolerend glas kan onder het 9%-tarief vallen, maar dan moet het primair gericht zijn op energiebesparing. Let op: de arbeidskosten voor het vervangen van een kozijn, ook als dat noodzakelijk is om het isolerende glas te kunnen plaatsen, vallen niet onder het verlaagde tarief.

Waarom valt balkonbeglazing buiten het 9%-tarief?

Primair doel is geen energiebesparing. De Belastingdienst stelt dat balkonbeglazing niet primair bedoeld is om de woning energiezuiniger te maken. Het voornaamste doel is het uitbreiden van de leefruimte: het omvormen van een open balkon tot een afsluitbare ruimte. Dat balkonbeglazing ook enige isolerende werking heeft, maakt dat niet anders. Iedere aanbouw of uitbreiding heeft immers een zekere isolerende werking ten opzichte van de bestaande woning. Dat is niet voldoende om het 9%-tarief te rechtvaardigen.

Geen isolatiemateriaal. Constructieonderdelen, zoals ramen en deuren, zijn een normaal onderdeel van een woning en kwalificeren niet als isolatiemateriaal. Dit geldt ook voor de profielen, rails en beglazing bij balkonbeglazing. De wetgever heeft dit al in 2010 bevestigd en de Belastingdienst herhaalt dit in de recente toelichting op post b.19.

Wat betekent dit in de praktijk?

Voor het plaatsen van balkonbeglazing geldt dus het standaard btw-tarief van 21%, zowel voor de arbeidskosten als voor de materialen. Dit geldt ook als de opdrachtgever aangeeft dat hij de beglazing wil vanwege de isolerende werking.

Enkele praktische aandachtspunten:

  • Controleer uw offertes en facturen. Heeft u in het verleden balkonbeglazing gefactureerd met 9% btw? Dan loopt u het risico op een naheffing van de Belastingdienst, vermeerderd met rente en mogelijk een boete.
  • Vergelijkbare situaties. Dezelfde redenering geldt voor andere constructies die een balkon of terras afsluiten, zoals terrasoverkappingen of glazen gevelelementen, als het primaire doel niet energiebesparing is.
  • Bij twijfel. Twijfelt u of een specifieke opdracht wel onder het 9%-tarief valt? Stel uzelf de vraag: is het hoofddoel van de werkzaamheden het energiezuiniger maken van de woning? Is het antwoord nee, dan geldt in principe het tarief van 21%.

Welke werkzaamheden vallen wel onder het 9%-tarief?

Het is nuttig om te weten welke werkzaamheden aan woningen ouder dan twee jaar wél onder het 9%-tarief vallen. Dat zijn onder meer:

  • het spuiten van spouwmuurisolatie;
  • het aanbrengen van dakisolatie (bijv. glaswol of PIR-platen);
  • het aanbrengen van vloerisolatie;
  • het plaatsen van isolerend glas in bestaande kozijnen (de beglazing zelf, niet het kozijn).

Groendaken. Ook het aanleggen van een groendak valt overigens buiten het 9%-tarief. Hoewel een groendak enige isolerende werking heeft, speelt het ook andere doelen, zoals waterabsorptie en het verbeteren van de luchtkwaliteit.

Pas uw offertes en facturen voor balkonbeglazing aan naar 21% btw. Heeft u dit werk in het verleden met 9% btw gefactureerd, controleer dan uw administratie en beoordeel of correctie nodig is. Vraag uzelf bij elke opdracht af of het primaire doel aantoonbare energiebesparing is. Is dat niet het geval, factureer dan met 21% btw.

Kosten privéauto: € 0,19 blijft leidend

Wat was er aan de hand?

Situatie. In de uitspraak van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (ECLI:NL:GHSHE:2026:879) gaat het om een belastingplichtige die werkzaamheden verricht voor een bedrijf in de distributie en bezorging van kranten. Hij gebruikt daarvoor zijn privéauto en rijdt in één jaar ruim 20.000 kilometer.

Aftrek autokosten. Voor zijn werkzaamheden ontvangt hij inkomsten, die in box 1 worden belast als resultaat uit overige werkzaamheden (ROW). De man brengt vervolgens hoge autokosten in aftrek, gebaseerd op € 0,40 per kilometer, omdat zijn werkelijke kosten volgens hem hoger liggen door intensief gebruik van de auto.

Belastingdienst wijkt af. De Belastingdienst accepteert dit niet en beperkt de aftrek tot € 0,19 per kilometer. Uiteindelijk komt de zaak bij Gerechtshof ’s-Hertogenbosch terecht.

€ 0,19 per kilometer is de wettelijke grens

Hoofdregel. Het hof is helder: voor het gebruik van een privéauto geldt een wettelijke kostenaftrek van € 0,19 per kilometer.

Werkelijke kosten. De belastingplichtige stelt dat zijn werkelijke kosten aanzienlijk hoger zijn, onder andere door veel starten, stoppen en extra slijtage bij krantenbezorging. Toch maakt dat fiscaal geen verschil. Het hof oordeelt dat het forfait van € 0,19 leidend is, ook als de werkelijke kosten hoger liggen.

Uitkomst in deze zaak. Het aantal kilometers staat vast op 20.916. Dat leidt tot een aftrek van € 3.974 (20.916 × € 0,19).

Geen beroep op vertrouwensbeginsel

Beroep op vertrouwen. De belastingplichtige stelt dat de Belastingdienst zijn aangifte over een eerder belastingjaar met hogere kostenaftrek wel zou hebben gevolgd en dat hij daaraan vertrouwen kon ontlenen. Hij deed een beroep op het vertrouwensbeginsel.

Oordeel hof. Het hof wijst dit af. Uit de stukken blijkt dat een eventuele toezegging alleen gold voor dat specifieke belastingjaar. Destijds is expliciet gesteld dat daaraan geen rechten voor latere jaren konden worden ontleend.

Let op. Een afspraak of goedkeuring geldt dus niet automatisch voor volgende jaren.

Geen extra schade- of kostenvergoeding

Schadevergoeding beperkt. De rechtbank had al een vergoeding toegekend vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De belastingplichtige vraagt in hoger beroep om een hogere vergoeding, maar krijgt die niet.

Geen aanvullende proceskosten. Ook een verzoek om vergoeding van advocaatkosten wordt afgewezen. Volgens het hof gaat het niet om rechtsbijstand die onder de regeling voor proceskosten valt.

Wat betekent dit voor de praktijk?

Duidelijke grens in de praktijk. Deze uitspraak bevestigt dat bij het gebruik van een privéauto in het kader van ROW het fiscale maximum van € 0,19 (momenteel € 0,23) per kilometer leidend is voor de aftrek van kosten. Werkelijke kosten, hoe hoog ook, spelen daarbij geen rol.

Belang. Voor u als werkgever of opdrachtgever is vooral van belang:

  • Spreek reiskostenvergoedingen vooraf helder af in contracten.
  • Houd rekening met het verschil tussen wat u commercieel wilt vergoeden en wat fiscaal aftrekbaar is.
  • Vermijd onduidelijke of informele toezeggingen over hogere vergoedingen.
  • Gebruik één vaste reiskostenregeling voor alle vergelijkbare situaties.

Let op bij structurele afspraken. Als u structureel hogere vergoedingen wilt betalen dan het wettelijke bedrag voor de kostenaftrek, dan kan dat wel civielrechtelijk, maar fiscaal kunt u daar niets mee.

Stem reiskostenregelingen in uw bedrijf duidelijk af en houdt rekening met wat fiscaal is toegestaan. Dat voorkomt naheffingen, teleurstellingen en discussies achteraf met werknemers of opdrachtnemers.

Belastingvoordeel bij energiezuinige investering: zo werkt de EIA

Bijna 16.000 ondernemers vroegen in 2025 de Energie-investeringsaftrek aan voor samen bijna € 4 miljard aan energiebesparende investeringen. Weet u wat de EIA inhoudt en komt u er ook voor in aanmerking?

De Energie-investeringsaftrek (EIA) is een fiscale regeling waarmee u als ondernemer een extra aftrekpost krijgt als u investeert in energiebesparende bedrijfsmiddelen. U mag 40% van het investeringsbedrag aftrekken van uw fiscale winst, bovenop de gewone afschrijving.

De Energielijst: wat staat erop?

Niet elke energiezuinige investering komt in aanmerking. De investering moet op de Energielijst staan die de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) jaarlijks vaststelt. Op die lijst staan specifieke bedrijfsmiddelen, zoals:

  • warmtepompen en WKO-installaties (warmte-koudeopslag);
  • LED-verlichting met geavanceerde regeling;
  • elektrische bedrijfsvoertuigen en laadinfrastructuur;
  • zonnepanelen in combinatie met opslag;
  • energiezuinige koelinstallaties;
  • batterijen voor elektriciteitsopslag.

Let op. De Energielijst wijzigt elk jaar. Bedrijfsmiddelen die vorig jaar nog in aanmerking kwamen, kunnen dit jaar van de lijst zijn gehaald. Omgekeerd komen er ook nieuwe technieken bij. Controleer dus altijd de actuele Energielijst op Energie-investeringsaftrek (EIA) | RVO.nl voordat u een investering doet.

Recordaanvragen in 2025

Uit het EIA-jaarverslag over 2025 blijkt dat ondernemers massaal gebruikmaken van de regeling. In totaal werden bijna 16.000 aanvragen gedaan voor een investeringsbedrag van bijna € 4 miljard. Dat is 23% meer dan in 2024 en het op één na hoogste bedrag ooit. Opvallende groeiers zijn investeringen in batterijen voor elektriciteitsopslag (plus 66%) en de transportsector (plus 90%).

Groeiende populariteit. De cijfers laten zien dat steeds meer ondernemers de weg naar de EIA vinden. Toch is er nog een grote groep die de regeling laat liggen, simpelweg omdat ze er niet van weten of denken dat het te ingewikkeld is. Dat is zonde, want de voordelen zijn concreet en direct merkbaar in uw aangifte.

Voorwaarden: waar moet u aan voldoen?

Om de EIA te kunnen gebruiken, gelden een aantal voorwaarden:

  • u bent ondernemer voor de inkomstenbelasting of uw onderneming is belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting;
  • u investeert in een bedrijfsmiddel dat op de Energielijst staat;
  • het bedrijfsmiddel is nieuw (dus niet tweedehands);
  • het investeringsbedrag per bedrijfsmiddel is minimaal € 2.500;
  • u meldt de investering binnen drie maanden na het aangaan van de investeringsverplichting aan bij RVO.

Melding is cruciaal. Veel ondernemers vergeten de investering tijdig te melden bij RVO. Doet u dat niet of te laat, dan vervalt het recht op de EIA. U meldt de investering digitaal via het eLoket op Energie-investeringsaftrek (EIA) | RVO.nl Dit staat los van uw belastingaangifte: de melding bij RVO en de aftrek in uw aangifte zijn twee aparte stappen.

Andere regelingen. Sommige investeringen vallen onder meerdere regelingen, maar u kunt niet zowel de EIA als de MIA/Vamil voor hetzelfde bedrijfsmiddel gebruiken. U moet kiezen.

Welke regeling is voordeliger? Dat hangt af van het soort investering en uw belastingsituatie. De EIA geeft een aftrekpercentage van 40%. De MIA biedt een aftrekpercentage van 27%, 36% of 45%, afhankelijk van de milieucategorie. De Vamil biedt vooral een liquiditeitsvoordeel doordat u sneller afschrijft. Laat dit goed uitrekenen voordat u een keuze maakt.

Praktische tips

  • Controleer de Energielijst vóór aankoop. Stem de investering altijd af op de actuele Energielijst. Een leverancier die beweert dat zijn product op de lijst staat, kan zich vergissen.
  • Meld op tijd. Stel de melding bij RVO niet uit. Drie maanden gaat sneller dan u denkt, zeker als u druk bent.
  • Bewaar uw facturen en specificaties. De Belastingdienst kan achteraf vragen om bewijs dat het bedrijfsmiddel voldoet aan de eisen.
  • Denk ook aan grotere investeringen. De EIA is niet alleen interessant voor kleine aankopen. Juist bij grotere projecten, zoals een nieuwe koelinstallatie of een laadplein voor uw wagenpark, loopt het belastingvoordeel flink op.
  • Vraag een EIA-verklaring aan bij RVO. Na goedkeuring van uw melding ontvangt u een EIA-verklaring. Die heeft u nodig om de aftrek in uw belastingaangifte te claimen.

Controleer of uw investering op de Energielijst staat, zorg dat u de investering binnen drie maanden na het sluiten van het contract aanmeldt bij RVO en verwerk vervolgens de extra aftrek in uw belastingaangifte.

Spaarfonds met partner, belast in box 3?

Een echtpaar probeerde spaargeld buiten box 3 te houden via een eigen beleggingsfonds, een zogenaamd ‘open fonds voor gemene rekening’. De rechter stak daar een stokje voor. Wat kunt u hiervan leren?

Wat is een open fonds voor gemene rekening? Een open fonds voor gemene rekening is een samenwerkingsvorm waarbij meerdere deelnemers gezamenlijk beleggen. Het bijzondere is dat zo’n fonds zelfstandig belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting. Daardoor vallen de bezittingen in het fonds in principe buiten uw persoonlijke box 3-grondslag. Meer informatie over de fiscale behandeling van een fonds voor gemene rekening vindt u op Fonds voor gemene rekening | Belastingdienst

Wat speelde er in deze zaak?

Een echtpaar opende eind 2021 ieder een aparte spaarrekening bij de Rabobank en stortte daar ieder bijna € 100.000 op. Tegelijkertijd sloten zij een overeenkomst om samen een ‘open fonds voor gemene rekening’ op te richten. Het doel: gezamenlijk beleggen in deposito’s en spaarrekeningen. Het fonds had op papier 2.500 participaties, waarvan ieder der echtgenoten 998 stuks kreeg.

De Belastingdienst accepteerde dit niet en nam de spaartegoeden gewoon mee in de belastingaanslag over 2022. Het echtpaar maakte bezwaar, maar ving ook bij de rechter bot. Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch oordeelde op 29 april 2026 (ECLI:NL:GHSHE:2026:1129) dat er geen sprake was van een geldig open fonds voor gemene rekening.

Waarom ging het mis?

Het hof keek naar twee vereisten waaraan een open fonds voor gemene rekening moet voldoen.

Verhandelbare bewijzen van deelgerechtigdheid. Om van een open fonds te spreken, moeten de participaties vrij verhandelbaar zijn. Dat kan via certificaten (waardepapieren) of via een participantenregister dat de beheerder bijhoudt. In deze zaak waren er geen certificaten uitgegeven. En hoewel de overeenkomst zelf een participantenregister noemde, was dat register er in de praktijk nooit gekomen. Dat was voor het hof al een serieus probleem.

Toestemming van alle deelnemers vereist. Het echtpaar gaf aan dat een buitenstaander alleen kon toetreden tot het fonds als de overeenkomst werd aangepast, wat de instemming van alle bestaande participanten vereiste. Omdat het fonds alleen uit de twee echtgenoten bestond, betekende dit in de praktijk: overdracht van participaties was alleen mogelijk met goedkeuring van beiden. Dat is het tegenovergestelde van ‘vrij verhandelbaar’.

Persoonlijke band speelt ook mee. Het hof voegde daar nog aan toe dat het, gelet op de hechte relatie tussen de echtgenoten en de aard van de bezittingen (gewone spaartegoeden), volstrekt onwaarschijnlijk was dat een derde ooit zou willen toetreden tot dit fonds. De constructie hield dan ook geen stand.

Wat betekent dit voor u?

Deze uitspraak maakt duidelijk dat de Belastingdienst en de rechter kritisch kijken naar constructies die beogen vermogen buiten box 3 te houden. Een fonds oprichten op papier is niet genoeg. U moet ook echt kunnen aantonen dat de participaties vrij overdraagbaar zijn aan derden en dat er een deugdelijke administratie is.

Enkele praktische punten om rekening mee te houden:

  • Een participantenregister dat in de overeenkomst wordt beloofd maar nooit wordt aangelegd, telt niet mee.
  • Een fonds tussen alleen u en uw fiscale partner wordt snel gezien als een schijnconstructie, zeker als de kans op toetreding van derden nihil is.
  • Gewone spaartegoeden zijn in de ogen van de rechter geen geschikt fundament voor een beleggingsfonds dat buitenstaanders zou aantrekken.

Wat kunt u doen?

Als u box 3-belasting wilt beperken, zijn er legitieme manieren, zoals gebruikmaken van de vrijstellingen in box 3, schenken aan kinderen of kleinkinderen (binnen de wettelijke grenzen), of beleggen via een lijfrente of bankspaarproduct. Overweegt u toch een fondsconstructie, zorg dan dat deze volledig voldoet aan alle wettelijke eisen: echte vrije verhandelbaarheid, een bijgehouden participantenregister en deelname van meerdere onafhankelijke partijen.

Wilt u uw spaargeld of beleggingen slim en legaal structureren, onderzoek dan de reguliere vrijstellingen en fiscaalvriendelijke spaarproducten. Constructies die op papier kloppen maar in de praktijk geen echte vrijheid van overdracht kennen, worden door de Belastingdienst en de rechter consequent afgewezen.

Oproepkracht zegt op: let op korte opzegtermijn

Wanneer is sprake van een oproepcontract?

Oproepovereenkomst. In de praktijk wordt vaak gedacht dat een contract geen oproepovereenkomst meer is zodra u een minimum aantal uren afspreekt. Dat klopt niet altijd. In de uitspraak van Rechtbank Gelderland van 18 maart 2026 (ECLI:NL:RBGEL:2026:2814) speelde precies deze vraag.

Minimum aantal uren onvoldoende. In deze zaak had de werkgever met de werknemer afgesproken dat zij minimaal 91 uur per maand zou werken. Een maximum aantal uren ontbrak. Volgens de rechtbank is de omvang van de arbeid dan niet duidelijk vastgelegd. Het oproepkarakter blijft dus bestaan.

Gevolg. Blijft het een oproepovereenkomst? Dan gelden speciale regels, waaronder een veel kortere opzegtermijn voor de werknemer.

Vier dagen in plaats van twee maanden

Hoofdregel. In veel cao’s en arbeidsovereenkomsten staan langere opzegtermijnen, bijvoorbeeld één of twee maanden.

Uitzondering. Voor oproepovereenkomsten geldt een afwijkende regel. Op grond van een wettelijke bepaling mag een werknemer met een oproepcontract opzeggen met een opzegtermijn van slechts vier dagen.

Wat ging hier mis? De werkgever ging ervan uit dat een opzegtermijn van twee maanden gold volgens de cao. De werknemer dacht daar anders over en zegde op met vier dagen opzegtermijn.

Oordeel rechtbank. De rechtbank gaf de werknemer gelijk. Omdat het contract een oproepovereenkomst bleef, mocht zij de korte opzegtermijn gebruiken. Er stond geen opzegbeding in de cao of arbeidsovereenkomst. Van een onregelmatige opzegging was geen sprake.

Financiële gevolgen voor de werkgever

Onterechte verrekening. De werkgever hield ruim € 2.100 in op de eindafrekening, omdat hij ervan uitging dat de werknemer een te korte opzegtermijn had gehanteerd en daarom een schadevergoeding verschuldigd was.

Terugbetalen. De rechtbank oordeelde echter dat hiervan geen sprake was, omdat de werknemer terecht gebruik had gemaakt van de korte opzegtermijn die geldt bij een oproepovereenkomst. Er bestond dus geen recht op een vergoeding wegens onregelmatige opzegging. De werkgever moest het ingehouden bedrag volledig terugbetalen, vermeerderd met een proceskostenvergoeding.

Hoe voorkomt u dit?

Maak uren concreet. Wilt u géén oproepcontract, zorg dan dat u een duidelijke arbeidsomvang met de werknemer afspreekt:

  • Leg een vast aantal uren per week of maand vast.
  • Neem zowel een minimum als een (redelijk) maximum aantal uren op.
  • Vermijd open formuleringen zoals “minimaal X uur” zonder verdere begrenzing.

Controleer uw contracten. Kijk kritisch naar bestaande arbeidsovereenkomsten:

  • Staat er nog “oproepovereenkomst” in?
  • Is het aantal uren duidelijk vastgelegd?
  • Sluit dit aan bij de feitelijke situatie?

Let op bij wijzigingen. In de zaak speelde ook dat het contract tussentijds was aangepast. Daarbij waren andere bepalingen ongewijzigd gebleven. Dit kan onbedoeld gevolgen hebben.

  • Controleer altijd het geheel bij contractwijzigingen.
  • Pas zo nodig ook bepalingen over aard en omvang van het werk aan.

Wees voorzichtig met aannames. Ga er niet automatisch van uit dat een cao-bepaling altijd geldt:

  • De aard van het contract kan bepalend zijn.
  • Bij twijfel: toets of sprake is van een oproepovereenkomst.

Reageer direct op opzegging. Krijgt u een opzegging van een werknemer?

  • Controleer direct de juiste opzegtermijn.
  • Laat het niet stilzwijgend lopen, dat kan tegen u werken.

Zorg dat uw contracten overeenkomen met wat u in de praktijk bedoelt en met de werknemer hebt afgesproken. Controleer of sprake is van een oproepovereenkomst en leg de arbeidsomvang duidelijk vast. Zo voorkomt u dat een werknemer onverwacht binnen enkele dagen vertrekt.


Wilhelminalaan 1, 1441 EK Purmerend
Tel: 0299-767002 / E-mail: info@partnersinadministraties.nl