“…Doet u waar u goed in bent en laat de rest aan ons over…”

Btw-verlegging bij loonwerk in de tuinbouw

Wat is de verleggingsregeling?

Bij de meeste diensten die u als ondernemer verleent, brengt u btw in rekening aan uw klant. U draagt die btw vervolgens af aan de Belastingdienst. Bij de verleggingsregeling werkt het anders: u brengt géén btw in rekening. In plaats daarvan wordt de btw ‘verlegd’ naar de afnemer. Die afnemer berekent dan zelf de verschuldigde btw en trekt die tegelijkertijd weer af als voorbelasting, voor zover hij recht heeft op aftrek. Per saldo hoeft er dan geen btw te worden betaald. Het systeem is in het leven geroepen om btw-fraude te bestrijden, met name in ketens waarbij onderaannemers de btw wel ontvangen maar niet afdragen.Wanneer geldt de verleggingsregeling? De verleggingsregeling geldt niet automatisch voor alle diensten. Ze is van toepassing in een beperkt aantal sectoren, zoals de bouw, de metaalconstructiebouw (voor zover het om onroerende constructies gaat) en de scheepsbouw. Binnen die sectoren geldt ze als aan twee voorwaarden is voldaan:

  • Er is sprake van een ‘werk van stoffelijke aard’ aan een onroerende zaak of een schip.
  • De werkzaamheden worden uitgevoerd in onderaanneming, dus door een onderaannemer die werkt voor een aannemer.

Een onderaannemer die werk verricht voor een aannemer, verlegt dan de btw. Hij stuurt dus een factuur zonder btw, maar met de vermelding ‘btw verlegd’.

Wat is nu beslist over loonwerk in de tuinbouw?

De Kennisgroep omzetbelasting van de Belastingdienst heeft op 16 april 2026 een standpunt gepubliceerd (KG:210:2026:2) over de vraag of de verleggingsregeling van toepassing is op loonwerkzaamheden in de tuinbouw.De casus. Een loonwerkbedrijf voert opdrachten uit voor een tuinbouwbedrijf. Het loonwerkbedrijf schakelt op zijn beurt een zelfstandige loonwerker in als onderaannemer. Die loonwerker verricht werkzaamheden zoals het toppen, draaien en oogsten van gewassen, het frezen en spitten van de grond en het schoonspuiten en krijten van de kassen. De gewassen staan in de volle grond en worden daardoor, samen met die grond, als onroerende zaken beschouwd.

Vraag. De vraag was of de verleggingsregeling van toepassing is op de werkzaamheden van de onderaannemer (de zelfstandige loonwerker).

Antwoord. Het antwoord van de kennisgroep van de Belastingdienst is: ja. De verleggingsregeling is van toepassing.

Waarom vallen deze werkzaamheden onder de verleggingsregeling? De kennisgroep stelt dat er sprake is van fysieke werkzaamheden aan onroerende zaken. De gewassen in de volle grond, de grond zelf en de kassen zijn onroerende zaken. De werkzaamheden van de loonwerker hebben daar rechtstreeks betrekking op. Dat is precies het criterium voor de verleggingsregeling: er moet een werk van stoffelijke aard worden verricht aan een onroerende zaak.

Werk van stoffelijke aard. De term ‘werk van stoffelijke aard’ wordt ruim uitgelegd. Niet alleen bouwkundige werkzaamheden vallen eronder. Ook werkzaamheden van hoveniers en schoonmaakbedrijven aan onroerende zaken worden als zodanig aangemerkt. Agrarische diensten aan gewassen die als onroerend worden beschouwd, vallen daar ook onder.

Dit is een praktisch belangrijk standpunt, zeker voor de tuinbouwsector. Het bevestigt dat loonwerkers die in onderaanneming werken voor een loonwerkbedrijf, de btw moeten verleggen.

Wat betekent dit in de praktijk?

  • Loonwerkbedrijf. Bent u een loonwerkbedrijf en schakelt u een zelfstandige loonwerker in? Dan ontvangt u een factuur zonder btw. Op die factuur moet de vermelding ‘btw verlegd’ staan. U berekent zelf de verschuldigde btw en trekt die tegelijkertijd af als voorbelasting. Per saldo heeft dit in dat geval geen financieel effect voor u.
  • Zelfstandige loonwerker. Bent u de zelfstandige loonwerker (onderaannemer)? Dan brengt u geen btw in rekening. U stuurt een factuur exclusief btw, met de vermelding ‘btw verlegd’. Let op: u ontvangt daardoor geen btw van uw opdrachtgever. U hoeft die btw dan ook niet af te dragen.
  • Opdrachtgever. Bent u het tuinbouwbedrijf dat het loonwerkbedrijf inhuurt? Dan is de verleggingsregeling tussen u en het loonwerkbedrijf niet automatisch van toepassing. Daarvoor moet u zelf ook kwalificeren als aannemer in de zin van de regeling. Als u dat niet doet, brengt het loonwerkbedrijf gewoon btw aan u in rekening.

Wat zijn de risico’s bij een verkeerde toepassing?

Verkeerd toepassen van de verleggingsregeling kan kostbaar uitpakken. Enkele voorbeelden:

  • Brengt u als onderaannemer ten onrechte btw in rekening, dan is die btw alsnog verschuldigd, ook als de opdrachtgever die btw al heeft betaald. U loopt het risico op een naheffing van de Belastingdienst.
  • Past u de verleggingsregeling toe terwijl dat niet had gemoeten, dan ontvangt uw opdrachtgever geen factuur met btw en kan hij ook geen voorbelasting aftrekken.
  • Factureert u als onderaannemer zonder btw maar vergeet u de vermelding ‘btw verlegd’ op de factuur te zetten? Dan voldoet de factuur niet aan de wettelijke eisen. Dit kan leiden tot problemen bij een controle.
  • Controleer daarom altijd of u in een keten werkt waarbij de verleggingsregeling van toepassing is en zorg dat uw facturen correct zijn opgesteld.

Wat kunt u nu concreet doen?

Werkt u als loonwerker, tuinbouwer of loonwerkbedrijf? Bekijk dan uw huidige factuurstroom. Werkt u in onderaanneming aan gewassen in de volle grond, aan grond of aan kassen? Dan geldt de verleggingsregeling. Pas uw facturen hierop aan: geen btw, maar de vermelding ‘btw verlegd’. Controleer ook of uw boekhoudsoftware dit correct verwerkt. Heeft u twijfels of uw specifieke situatie onder de verleggingsregeling valt, laat dit dan toetsen.

Controleer altijd of u in een keten werkt waarbij de verleggingsregeling van toepassing is en zorg dat uw facturen correct zijn opgesteld.

Seizoenswerk en vakantiewerk: let op de extra regels

Welke regels gelden?

Definitie. Seizoenswerk is werk dat alleen in bepaalde periodes van het jaar voorkomt, zoals in de horeca, recreatie, landbouw of detailhandel. Denk aan extra personeel in de zomer of tijdens feestdagen.

Contractkeuze. In de praktijk werken werkgevers vaak met tijdelijke contracten of oproepovereenkomsten. Let op: ook bij kortdurend werk gelden de normale arbeidsregels. U kunt dus niet “even snel” iemand inzetten zonder duidelijke afspraken.

Tip. Leg altijd het volgende schriftelijk vast om discussies te voorkomen:

  • de duur van het contract;
  • het aantal uren (vast of oproep);
  • het loon en de toeslagen.

Jongere werknemers

Werkgever. Werkt u met 15-jarigen, dan mag dat alleen bij licht werk. Denk aan vakken vullen, inpakken, plukken of ander ondersteunend werk. In een fabriek, met machines of met zware goederen werken, mag niet. Ook achter de kassa werken of werken op plaatsen waar alcohol wordt geschonken, kan niet zomaar.

Tip. Maak per functie een korte takenlijst. Zet daar expliciet in welke werkzaamheden wel en niet zijn toegestaan, zodat leidinggevenden op de werkvloer geen verkeerde opdrachten geven. Dat voorkomt fouten in de planning en discussie achteraf.

Let op. Voor 13- en 14-jarigen zijn de regels nog strenger. Zij mogen alleen lichte klusjes doen en niet op schooldagen werken, behalve zeer beperkte taken, zoals thuiswerkachtige klusjes. Op niet-schooldagen en in vakantieweken gelden maximumuren en extra voorwaarden. Sinds de wijziging in de Nadere regeling kinderarbeid mogen zij onder voorwaarden op zondag werken en langer doorwerken tot 20.00 uur.

Werk- en rusttijden

Strenge grenzen. Bij jongeren gaat het niet alleen om het soort werk, maar ook om de duur van het werk. Voor 16- en 17-jarigen geldt bijvoorbeeld een maximum van 45 uur per week en gemiddeld 40 uur per week over een langere periode. Voor 15-jarigen en jongere kinderen gelden andere grenzen, die afhangen van schooltijd en vakanties. Schooltijd telt daarbij vaak ook mee als arbeidstijd.

Praktisch. Leg in uw rooster vast hoeveel uren iemand al heeft gewerkt, inclusief schooltijd als dat relevant is. Laat niet alleen de planning, maar ook de feitelijke uren controleren. Juist bij piekdrukte kan het snel misgaan als iemand “nog even” een extra dienst draait.

Extra aandacht. Werken op zondag is niet vanzelfsprekend toegestaan. Soms kan het wel, maar alleen onder voorwaarden en vaak met toestemming van ouders of andere betrokkenen, afhankelijk van de leeftijd. Controleer dit vooraf en neem het niet als standaardoptie in uw rooster op.

Loon en contract

Minimumjeugdloon. Voor werknemers van 15 tot en met 20 jaar geldt een wettelijk minimumjeugdloon. De bedragen worden elk half jaar aangepast. Per 1 januari 2026 geldt onder meer voor 21 jaar en ouder € 14,71 per uur, voor 18 jaar € 7,36, voor 17 jaar € 5,81, voor 16 jaar € 5,07 en voor 15 jaar € 4,41 per uur (Bedragen minimumloon 2026 | Minimumloon | Rijksoverheid.nl)15415 Checklist arbeidsovereenkomst. Voor 13- en 14-jarigen geldt geen wettelijk minimumjeugdloon, omdat zij geen regulier loonplichtig jongerenwerk verrichten zoals oudere werknemers.

Werkgever. Betaalt u minder dan het minimumloon, dan loopt u direct risico op naheffingen en boetes. Controleer dus vóór de start van het werk welk loon geldt en of een cao hogere bedragen voorschrijft. Bij vakantiewerk is dat extra belangrijk, omdat u vaak met korte contracten en wisselende uren werkt.

Tip. Gebruik een eenvoudige arbeidsovereenkomst met drie vaste onderdelen: functie, loon en werktijden. Zet er ook in dat de werknemer zich aan de regels voor pauzes, rust en veilige uitvoering moet houden. Dat maakt het voor uzelf en de leidinggevende op de werkvloer duidelijker.

Buitenlandse werknemers. Soms wilt u voor seizoenswerk mensen uit het buitenland inzetten. Dan krijgt u naast de arbeidsregels ook te maken met het recht om in Nederland te werken en met praktische zaken zoals identiteit, loonadministratie en eventuele verzekeringen. De basisregel blijft: ook voor buitenlandse werknemers moet u de arbeids- en rusttijden, het loon en de veiligheid goed regelen.

Praktisch. Vraag vóór de start altijd om de juiste documenten, controleer of iemand mag werken en leg de afspraken schriftelijk vast. Doe dat niet pas als het werk al is begonnen. Bij seizoenswerk is snelheid fijn, maar onzorgvuldigheid kost later veel meer tijd en geld.

Praktische aanpak voor drukke periodes

Voorbereiding. Begin op tijd met werven. Goede vakantiekrachten zijn schaars.

Inwerken. Zorg voor een korte maar duidelijke instructie. Dat verhoogt de productiviteit en verkleint de kans op fouten.

Begeleiding. Jongeren hebben vaak meer begeleiding nodig. Wijs een vaste contactpersoon aan.

Evaluatie. Bevalt de samenwerking? Overweeg om goede krachten volgend seizoen opnieuw in te zetten.

Controleer vóór de eerste werkdag per werknemer: leeftijd, toegestane werkzaamheden, werktijden en loon. Leg alles schriftelijk vast en pas uw rooster en takenlijst daarop aan. Zo houdt u seizoenswerk en vakantiewerk eenvoudig, veilig en juridisch in de hand.

Geen accijnsverlaging in steunpakket

Geen verlaging: kosten blijven relatief hoog

Besluit. Het kabinet kiest ervoor om accijnzen op brandstof niet te verlagen in tegenstelling tot de landen om ons heen.

Effect. Dat de accijnzen in Nederland niet worden verlaagd, betekent dat brandstofprijzen relatief hoog blijven. Voor u als werkgever blijven kosten voor vervoer en mobiliteit daardoor een belangrijk aandachtspunt. In België en Duitsland zijn wel aanpassingen gedaan om de prijs aan de pomp te verlagen. Bedrijven en particulieren in de grensregio kunnen hiervan profiteren.

Gevolg. U profiteert niet van extra verlichting. De verwachting is dat kosten voor vervoer en logistiek structureel hoger blijven dan enkele jaren geleden. Voor wat betreft de wegenbelasting overweegt het kabinet om deze tijdelijk met 50% te verlagen. Dit zal naar verwachting enkel gelden voor voertuigen met een grijs kenteken.

Reiskosten onder druk

Kosten. Werknemers die met de auto reizen, merken deze hogere brandstofprijzen natuurlijk direct in hun portemonnee. Dit leidt vaak tot vragen over de reiskostenvergoeding.

Huidige norm. U mag momenteel maximaal € 0,23 per kilometer onbelast vergoeden. Het onbelaste bedrag per kilometer bedroeg heel lang € 0,19, maar is de laatste jaren stapsgewijs verhoogd tot het huidige bedrag. Het kabinet overweegt de belastingvrije vergoeding verder te verhogen naar € 0,25 per kilometer.

Spanning. In de praktijk liggen de werkelijke kosten per kilometer vaak hoger. Afhankelijk van het type auto kunnen de werkelijke kosten soms wel twee keer zo hoog zijn dan het bedrag van de belastingvrije vergoeding. Dat kan leiden tot ontevredenheid bij werknemers.

Afweging. U bent niet verplicht om de vergoeding te verhogen, maar het kan wel helpen om personeel tevreden te houden of te behouden. Overigens kan de verplichting tot het verhogen van bepaalde vergoedingen soms wel voortvloeien uit een cao die van toepassing is binnen uw organisatie.

Meer vergoeden dan de belastingvrije vergoeding: kan dat?

Belast loon. Vergoedt u meer dan het gericht vrijgestelde bedrag? Dan is het meerdere in beginsel belast loon. U berekent daarover loonheffingen.

Vrije ruimte. U kunt er ook voor kiezen om het meerdere onder te brengen in de vrije ruimte van de werkkostenregeling (WKR).

Gevolgen in de praktijk.

  • Heeft u nog vrije ruimte? Dan blijft het extra bedrag onbelast voor de werknemer en voor u als werkgever.
  • Is de vrije ruimte op? Dan betaalt u als werkgever 80% eindheffing over het meerdere.

Praktisch inzicht. Een hogere vergoeding lijkt aantrekkelijk, maar kost u als werkgever vaak extra geld. Maak daarom altijd een kostenberekening voordat u uw regeling aanpast.

Mobiliteit en loonbeleid

Mobiliteit. Omdat accijnzen op brandstof niet worden verlaagd, blijft mobiliteit een kostenpost. Dit is een goed moment om uw beleid tegen het licht te houden.

Denk aan. Alternatieven zoals:

  • thuiswerken om reiskilometers te beperken;
  • een mobiliteitsbudget in plaats van reiskostenvergoedingen;
  • stimuleren van fietsen of openbaar vervoer.

Loonbeleid. Hogere kosten voor werknemers kunnen leiden tot extra druk op lonen. Werknemers kijken immers naar hun totale koopkracht.

Communicatie. Wees duidelijk over wat u wel en niet kunt compenseren. Dat voorkomt discussies en schept realistische verwachtingen.

Vooruitkijken: geen snelle verlichting

Vooruitzicht. Doordat accijnzen op brandstof niet worden verlaagd, is er op korte termijn geen directe kostenverlichting te verwachten.

Actie. Het is verstandig om:

  • uw kosten structureel in kaart te brengen;
  • arbeidsvoorwaarden flexibel in te richten;
  • tijdig in te spelen op stijgende kosten.

Strategie. Door nu keuzes te maken, voorkomt u dat u later onder druk snel moet handelen.

Ga na of uw reiskostenvergoeding nog aansluit bij de werkelijke kosten van uw werknemers. Wilt u meer vergoeden dan € 0,23 of straks mogelijk € 0,25 per kilometer? Houd er rekening mee dat dit belast is of ten koste gaat van de vrije ruimte. Maak bewuste keuzes en houd grip op uw loonkosten.

Ziekmelding tijdens vakantie: wat moet u doen?

Ziekmelding: dit zijn de basisregels

Ziekmelding. Een werknemer kan zich ook tijdens zijn vakantie ziekmelden, bijvoorbeeld vanuit het buitenland. U moet deze ziekmelding in principe accepteren. Wel mag u verwachten dat de werknemer zich houdt aan de regels die binnen uw onderneming gelden. Denk aan het tijdig ziekmelden, het doorgeven van het verblijfadres en het bereikbaar blijven voor overleg of controle.

Procedure. Het is daarom belangrijk dat u een duidelijk verzuimprotocol heeft. Hierin legt u vast hoe en wanneer een werknemer zich moet ziekmelden en wat u van hem verwacht als hij op vakantie is. Door dit vooraf goed te regelen, voorkomt u discussies achteraf over de vraag of een ziekmelding wel terecht is gedaan.

Controle. U mag een ziekmelding laten controleren via uw arbodienst of bedrijfsarts. U mag zelf geen medische vragen stellen. U beperkt zich tot praktische informatie, zoals waar de werknemer verblijft en hoe hij bereikbaar is. Dit onderscheid is belangrijk om binnen de privacyregels te blijven.

Vakantiedagen of ziektedagen?

Omzetten. Als vaststaat dat de werknemer ziek is, dan tellen de ziektedagen in beginsel niet als vakantiedagen. De werknemer behoudt deze vakantiedagen en kan ze op een later moment alsnog opnemen. Dit is een belangrijk uitgangspunt in de wet en kan dus financiële en organisatorische gevolgen hebben voor uw planning.

Voorwaarden. Dit recht geldt niet onbeperkt. De werknemer moet zich wel aan de regels houden. Hij moet zich bijvoorbeeld direct ziekmelden en meewerken aan controle. Doet hij dat niet, dan kunt u besluiten de dagen toch als vakantiedagen aan te merken. Bovendien kan bij overeenkomst of in een cao zijn bepaald dat de ziektedagen wel kunnen worden ingehouden op de bovenwettelijke vakantiedagen.

Praktijk. In de praktijk ontstaat hier vaak discussie over. Stel dat een werknemer zich pas na enkele dagen ziek meldt en ondertussen niet bereikbaar was. In zo’n situatie staat u sterker als u vooraf duidelijke regels heeft opgesteld en deze ook consequent toepast.

Wat mag u van uw werknemer verwachten?

Bereikbaarheid. Ook tijdens vakantie blijft een zieke werknemer verplicht om bereikbaar te zijn. Dit betekent dat hij moet reageren op berichten en bereikbaar moet zijn voor de arbodienst. Dit geldt ongeacht of hij in Nederland of in het buitenland verblijft.

Bewijs. Zeker bij ziekte in het buitenland mag u vragen om een verklaring van een arts. Dit helpt om de ziekmelding te onderbouwen en voorkomt misbruik. U hoeft daarbij geen medische details te ontvangen; een bevestiging dat er sprake is van ziekte is voldoende.

Herstel. Daarnaast mag u verwachten dat de werknemer zich richt op zijn herstel. Activiteiten die het herstel vertragen, zijn niet toegestaan. Denk bijvoorbeeld aan intensieve uitstapjes terwijl iemand zich ziek heeft gemeld. Dit kan aanleiding zijn om de ziekmelding ter discussie te stellen.

Ziek in het buitenland: extra aandacht

Lokale situatie. Bij ziekte in het buitenland spelen vaak extra aandachtspunten. De medische zorg werkt anders en het is niet altijd vanzelfsprekend dat een werknemer direct een verklaring krijgt. Toch kunt u dit wel van hem verlangen, zeker als daarover afspraken zijn gemaakt.

Contact houden. Het is belangrijk om tijdens de ziekteperiode goed contact te houden. Spreek duidelijk af hoe en wanneer de werknemer bereikbaar is. Dit voorkomt onzekerheid en maakt het makkelijker om snel te handelen als dat nodig is.

Terugkeer. In sommige gevallen kan het nodig zijn dat een werknemer eerder terugkomt naar Nederland, bijvoorbeeld voor controle door de bedrijfsarts. Dit gebeurt altijd in overleg. Het is verstandig om ook hierover vooraf afspraken te maken, zodat u niet voor verrassingen komt te staan.

Misbruik voorkomen en goed vastleggen

Twijfel. Heeft u twijfels over een ziekmelding tijdens vakantie, dan is het belangrijk om direct te handelen. Schakel uw arbodienst in voor een objectieve beoordeling. Zo voorkomt u dat een situatie onnodig escaleert.

Maatregelen. Werkt de werknemer niet mee aan controle of houdt hij zich niet aan de regels, dan kunt u maatregelen nemen. U kunt bijvoorbeeld het loon opschorten of besluiten dat de dagen toch als vakantiedagen gelden. Dit moet u wel zorgvuldig onderbouwen.

Dossiervorming. Een goede administratie is hierbij essentieel. Leg vast wanneer de ziekmelding is gedaan, welke afspraken zijn gemaakt en hoe de werknemer hieraan heeft voldaan. Dit geeft u een sterke positie als er later discussie ontstaat.

Zorg dat uw verzuimprotocol duidelijk en actueel is en bespreek dit met uw werknemers vóór de vakantieperiode. Controleer ziekmeldingen via de arbodienst en leg alles goed vast. Zo voorkomt u misverstanden en houdt u grip op ziekte tijdens vakantie.

Fiscale steunmaatregelen: wat levert het u op?

Het kabinet maakt bijna een miljard euro vrij om de economische gevolgen van de onrust in het Midden-Oosten op te vangen. Een deel van de maatregelen raakt u direct als ondernemer. Wat houden die voorgestelde maatregelen concreet in en wat kunt u daar nu al mee?

Waarom deze maatregelen? De onrust in het Midden-Oosten drijft de energieprijzen op. De verwachting is dat die prijzen voorlopig hoog blijven, ook als het conflict op korte termijn tot een einde komt. Huishoudens en bedrijven merken de gevolgen nu al. Het kabinet heeft daarom een breed pakket aan maatregelen aangekondigd, waarvan een aantal direct gevolgen heeft voor ondernemers in het midden- en kleinbedrijf.

De maatregelen die al in 2026 ingaan, worden geregeld via een goedkeurend beleidsbesluit en worden later opgenomen in een wetsvoorstel. De maatregelen per 1 januari 2027 vereisen wetgeving maar al wel aangekondigd.

Maatregelen die al in 2026 ingaan

Hogere onbelaste reiskostenvergoeding. De onbelaste reiskostenvergoeding gaat voor heel 2026 omhoog van € 0,23 naar € 0,25 per kilometer. Dat is een verhoging van € 0,02 per kilometer. De verhoging geldt met terugwerkende kracht voor het gehele jaar 2026, dus ook voor de kilometers die uw werknemers al hebben gereden.

Wat betekent dit voor u? Betaalt u uw werknemers een reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer of zakelijke ritten? Dan mag u per direct € 0,25 per kilometer onbelast vergoeden. U kunt de vergoeding die u al eerder heeft vastgesteld op € 0,23 dus nog aanpassen.

Praktisch voorbeeld. Een werknemer rijdt dagelijks 40 kilometer woon-werkverkeer en werkt 200 dagen per jaar. Bij € 0,25 per kilometer is de onbelaste vergoeding € 2.000 per jaar. Dat is € 160 meer dan bij het oude tarief. Voor de werknemer scheelt dit netto iets minder dan de tariefsverhogingen die hij aan de pomp merkt, maar het is een zinvolle bijdrage.

Tip. Pas uw salarisadministratie tijdig aan op het nieuwe kilometertarief. Heeft u de vergoeding al uitbetaald op basis van € 0,23 per kilometer, dan kunt u het verschil van € 0,02 per kilometer met terugwerkende kracht alsnog belastingvrij uitbetalen over de reeds verstreken maanden van 2026.

Lagere motorrijtuigenbelasting.

  • Bestelauto’s. Heeft u een of meer bestelauto’s op naam van uw onderneming? Dan betaalt u van 1 juli tot en met 31 december 2026 tijdelijk 50% minder motorrijtuigenbelasting (mrb). Dit is een directe lastenverlichting voor elke ondernemer met een bestelwagen op de zaak.
  • Vrachtauto’s. Rijdt u met vrachtauto’s? Dan daalt de motorrijtuigenbelasting per 1 juli 2026 voor de rest van het jaar zelfs naar nihil. U betaalt van 1 juli tot en met 31 december 2026 dus helemaal geen mrb meer over uw vrachtauto’s.

Tip. U hoeft voor deze verlagingen zelf geen actie te ondernemen. De Belastingdienst verwerkt de verlaging automatisch. Controleer wel uw aanslagen motorrijtuigenbelasting na 1 juli 2026 om te verifiëren dat de verlaging correct is toegepast.

Maatregelen per 1 januari 2027

Een aantal maatregelen gaat pas in per 1 januari 2027. Toch is het verstandig om u hier nu al op voor te bereiden. Sommige maatregelen pakken namelijk ongunstig uit voor uw investeringsplannen.

Energie-investeringsaftrek omhoog. De energie-investeringsaftrek (EIA) gaat per 1 januari 2027 omhoog van 40% naar 45,5%. De EIA is een extra fiscale aftrekpost bovenop de gewone afschrijving als u investeert in erkende energiebesparende bedrijfsmiddelen. Denk aan warmtepompen, ledverlichting, zonnepanelen of energiezuinige installaties voor uw bedrijf.

Let op het budget. Het beschikbare budget voor de EIA wordt niet verhoogd. Als het budget in de loop van het jaar op is, kunt u geen aanvraag meer indienen. Wacht dus niet te lang met uw EIA-aanvraag als u in 2027 een energiebesparing plant. Aanvragen voor de EIA doet u via het RVO (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) op Rijksdienst voor Ondernemend Nederland | RVO.nl

Tip. Heeft u al concrete plannen om te investeren in energiebesparing? Overweeg dan of u die investering het beste in 2026 of in 2027 kunt doen. Vanaf 2027 is de EIA hoger, maar het budget is beperkt. Plan dit zorgvuldig.

Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek wordt beperkt. De kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) is een veelgebruikte aftrekpost als u investeert in bedrijfsmiddelen. Per 1 januari 2027 wordt de KIA structureel versoberd. Dat gebeurt op twee manieren: het afbouwpercentage wordt aangepast en het plateau aan investeringsbedragen waarvoor de maximale aftrek geldt, wordt ingekort. Wat dat in de praktijk precies betekent, is op dit moment nog niet volledig uitgewerkt. Het kabinet werkt de details nog verder uit, ook in relatie tot een nader uit te werken ondernemersregeling.

Wat betekent dit voor u? Als u grote investeringen plant, kan het voordelig zijn om die nog vóór 1 januari 2027 te doen, terwijl de huidige, ruimere KIA nog van kracht is. Zodra de precieze nieuwe regels bekend zijn, is het verstandig om uw investeringsplanning hierop af te stemmen.

Tip. Houd de berichtgeving over de nieuwe KIA-regels goed in de gaten en bespreek uw investeringsplannen tijdig met uw adviseur, zodat u de aftrek maximaal benut.

Startersaftrek verdwijnt. Bent u een startende ondernemer die gebruik maakt van de startersaftrek? Dan is dit slecht nieuws. Per 1 januari 2027 wordt de startersaftrek afgeschaft. Er komt geen overgangsrecht. Dit betekent dat u na 31 december 2026 geen aanspraak meer kunt maken op deze extra aftrek, ook niet als u al jaren als starter gebruik maakt van de regeling. De startersaftrek is nu nog een verhoging van de zelfstandigenaftrek voor ondernemers die in de afgelopen vijf jaar minimaal één jaar geen ondernemer waren en niet eerder de startersaftrek hebben toegepast.

Tip. Komt u nog in aanmerking voor de startersaftrek in 2026? Zorg dan dat u die dit jaar nog volledig benut. Na 2026 vervalt de regeling definitief.

U kunt de onbelaste reiskostenvergoeding voor uw werknemers direct aanpassen naar € 0,25 per kilometer voor heel 2026, ook met terugwerkende kracht. Plant u grotere investeringen? Bekijk dan goed of u die beter nog vóór 1 januari 2027 kunt doen, zolang de huidige regels voor kleinschaligheidsinvesteringsaftrek nog gelden.

Aanslag te laat ontvangen? Inspecteur moet dat weerleggen

Aanslag via de buurman

Naheffingsaanslag bpm. Een man ontving een naheffingsaanslag bpm met als dagtekening 13 april 2023. Hij diende zijn bezwaar in op 20 juni 2023. De inspecteur verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk: te laat ingediend. Normaal geldt namelijk een bezwaartermijn van zes weken, die begint op de dag na de dagtekening van de aanslag.

Verkeerd bezorgd. De man stelde echter dat hij de aanslag nooit rechtstreeks had ontvangen. De aanslag was verkeerd bezorgd en belandde bij zijn buurman. Hij ontving de aanslag daardoor veel later. Daarmee begon de bezwaartermijn volgens man ook pas later te lopen, waardoor zijn bezwaar wél op tijd was.

Bezwaar te laat? De rechtbank ging daar niet in mee. Zij nam zonder verder bewijs aan dat de aanslag op de dagtekening was verzonden. Het beroep werd ongegrond verklaard. De man liet het er niet bij zitten en ging in cassatie.

Oordeel Hoge Raad: bewijslast ligt bij de inspecteur

Op 17 april 2026 deed de Hoge Raad uitspraak (ECLI:NL:HR:2026:677). Het oordeel is helder: indien u als belastingplichtige stelt dat u een aanslag te laat heeft ontvangen én u betwist de verzenddatum, dan moet de inspecteur bewijzen wanneer en via welk postbedrijf de aanslag is verzonden.

Geen bewijs, geen verzending. In deze zaak legde de inspecteur geen verzendbewijs of andere gegevens over. Daarmee slaagde hij niet in zijn bewijslast. Het gevolg: er moet van uit worden gegaan dat de aanslag niet op de dagtekening bekend is gemaakt. En dus begon de bezwaartermijn van zes weken pas te lopen op het moment dat de man de aanslag daadwerkelijk onder ogen kreeg.

Onjuiste rechtsopvatting rechtbank. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank. Die had ten onrechte zonder bewijs aangenomen dat verzending op of vóór de dagtekening had plaatsgevonden. De zaak is terugverwezen voor verdere behandeling.

De bezwaartermijn

Zes weken. Tegen een belastingaanslag kunt u bezwaar maken. De termijn daarvoor is zes weken. Die termijn begint in principe de dag na de dagtekening van de aanslag, mits de aanslag op of vóór die datum ook daadwerkelijk is verzonden.

Uitzondering. Is de aanslag later verzonden dan de dagtekening, dan begint de bezwaartermijn pas op de dag na de daadwerkelijke verzending. En als de ontvangst nog later plaatsvindt — zoals in deze zaak — dan is het moment van daadwerkelijke ontvangst bepalend, mits de ontvanger dat aannemelijk maakt.

Bekendmaking. De wettelijke basis hiervoor staat in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit artikel regelt dat een besluit bekendgemaakt wordt door toezending of uitreiking aan degene tot wie het besluit is gericht. Zolang die bekendmaking niet heeft plaatsgevonden, begint de bezwaartermijn niet te lopen.

Aanslag te laat ontvangen?

Ontvangt u een belastingaanslag later dan de dagtekening, of twijfelt u of de termijn al is gaan lopen? Onderneem dan de volgende stappen:

  • Noteer de datum waarop u de aanslag daadwerkelijk heeft ontvangen en bewaar eventueel bewijs, zoals een verklaring van de buurman of een foto van de envelop.
  • Dien uw bezwaar in en vermeld daarin expliciet op welke datum u de aanslag heeft ontvangen en waarom u vindt dat de bezwaartermijn pas vanaf dat moment is gaan lopen.
  • Vraag de inspecteur om het verzendbewijs. Als hij geen verzendbewijs kan overleggen, heeft hij een zwak dossier.

Twijfelt u? Dien het bezwaar altijd zo snel mogelijk in, ook als u denkt dat de termijn nog niet is verstreken. Zo voorkomt u discussie.

Praktische tips

Houd de post bij. Aanvullend op de belastingaanslag per post, stuurt de Belastingdienst berichten ook via de Berichtenbox op MijnOverheid.nl. Zorg dat u regelmatig inlogt en berichten controleert. Zo mist u geen aanslag.

Zorg voor een correcte postbezorging. Controleer of uw adresgegevens bij de Belastingdienst en in het handelsregister van de Kamer van Koophandel up-to-date zijn. Een verkeerd adres kan leiden tot problemen zoals in de hierboven beschreven zaak.

Bewaar uw enveloppen. Ontvangt u een aanslag en twijfelt u aan de verzenddatum? Bewaar dan de envelop. Hierop staat soms een poststempel of andere informatie over de datum van verzending of bezorging.

Wacht niet af. Twijfelt u of u nog op tijd bent met bezwaar maken? Dien dan direct een bezwaarschrift in, ook als u niet zeker weet of de termijn al is verlopen. U kunt daarna altijd nog om uitstel van motivering vragen. Zo voorkomt u dat uw bezwaar direct niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Ontvangt u een belastingaanslag later dan de dagtekening? Noteer dan de datum van ontvangst en bewaar alle bewijzen. Betwist de verzenddatum in uw bezwaarschrift en vraag de inspecteur om het verzendbewijs. Zonder dat bewijs kan de Belastingdienst u niet tegenwerpen dat de bezwaartermijn al eerder is begonnen.

Fout in tekening? Aannemer toch aansprakelijk!

Wat speelde er?

Ernstige gebreken. Een opdrachtgever sloot een aannemingsovereenkomst met een aannemer voor de bouw van een casco woonhuis. Bij de overeenkomst hoorden bestektekeningen, een technisch blad en een constructief ontwerp met statische berekeningen. De aannemer voerde het werk uit op basis van die stukken. Na oplevering bleken er ernstige gebreken te zijn: de constructie was gevaarlijk, het gebouw was niet te herstellen en vertoonde lokaal al tekenen van bezwijken. De totale financiële waarde van het uitgevoerde werk: nihil.

Wie is verantwoordelijk? De opdrachtgever vorderde ontbinding van de overeenkomst en terugbetaling van het al betaalde bedrag van ruim € 114.000. De aannemer probeerde zich te verdedigen door te stellen dat de opdrachtgever zelf verantwoordelijk was voor de fouten in het ontwerp en de coördinatie van de bouw.

Gerechtelijk deskundige. De rechtbank benoemde een gerechtelijk deskundige om het werk te beoordelen. Die deskundige constateerde tien gebreken, variërend van onduidelijke overeenkomsten en een ontbrekende besteksset tot bouwfouten en technische gebreken aan de constructie zelf. Opvallend: de deskundige plaatste een deel van de verantwoordelijkheid bij de opdrachtgever. Hij beschreef de opdrachtgever als een soort ‘hoofdaannemer’ die een coördinerende rol had moeten vervullen.

De rechtbank dacht er anders over. Rechtbank Overijssel (ECLI:NL:RBOVE:2026:143) volgde de deskundige op dit punt nadrukkelijk niet. De rechtbank stelde vast dat de opdrachtgever gewoon opdrachtgever was, en de aannemer gewoon aannemer. De overeenkomst was helder: de aannemer moest het werk uitvoeren overeenkomstig de aangeleverde stukken. De constructie ‘hoofdaannemer versus nevenaannemer’ die de deskundige en de aannemer opwierpen, paste niet bij de feiten en de gesloten overeenkomst.

De kern: waarschuwingsplicht van de aannemer

Wettelijke plicht. Artikel 7:754 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat een aannemer de opdrachtgever moet waarschuwen voor onjuistheden in de aangeleverde stukken, voor zover hij die kende of redelijkerwijs had moeten kennen. Dit geldt voor fouten in plannen, tekeningen, berekeningen, bestekken en uitvoeringsvoorschriften. Die plicht staat ook in § 6 lid 14 van de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken 2012 (UAV 2012).

Eigen verantwoordelijkheid aannemer. De rechtbank formuleerde het in deze zaak scherp: als een aannemer van oordeel is dat op basis van de aangeleverde stukken het werk niet conform de eisen van goed en deugdelijk werk kan worden uitgevoerd, dan had hij dat aan de opdrachtgever moeten voorleggen. De aannemer is een professional die moet beoordelen of de voorgelegde stukken volledig en toereikend zijn. Doet hij dat niet, dan kan hij de gebreken niet afschuiven op de opdrachtgever.

Schuld afschuiven werkt niet. In deze zaak probeerde de aannemer in de procedure zijn verantwoordelijkheid te relativeren door te stellen dat de opdrachtgever tekort was geschoten in het ontwerpproces en de bouwcoördinatie. De rechtbank maakte korte metten met dit argument. De aannemer was en bleef aannemer, met alle verplichtingen die daarbij horen.

Wat zijn de gevolgen als het misgaat?

De uitkomst in deze zaak laat zien hoe hoog de rekening kan oplopen als een aannemer zijn waarschuwingsplicht niet nakomt.

  • De aannemingsovereenkomst werd volledig ontbonden.
  • De aannemer moest het volledige betaalde bedrag van € 114.950 terugbetalen.
  • De aannemer moest het uitgevoerde werk op eigen kosten afbreken en verwijderen.
  • De aannemer werd aansprakelijk verklaard voor alle verdere, nog nader op te maken, schade.
  • De aannemer moest ook de proceskosten betalen: ruim € 11.000, inclusief de kosten van het deskundigenonderzoek van bijna € 23.000.

Hoe ver gaat de waarschuwingsplicht?

Marginale toetsing. U hoeft als aannemer niet het volledige ontwerp van A tot Z opnieuw door te rekenen. Dat is de taak van de architect of constructeur. Wat wel van u wordt verwacht, is een zogeheten marginale toetsing: een kritische blik op de klaarblijkelijke fouten. Dat zijn de fouten die voor een vakman direct in het oog springen, zoals een tegenstrijdigheid tussen twee tekeningen of een maat die technisch onmogelijk is.

Niet alleen bij uitvoering. De waarschuwingsplicht gaat al in voordat het werk begint. Ook bij het doornemen van het bestek en de tekeningen vóór het sluiten van de overeenkomst moet u alert zijn. Ontdekt u dan iets, dan moet u dat melden, nog voor de opdracht definitief wordt.

Hoe waarschuwt u correct? Er zijn geen formele eisen voor de manier waarop u waarschuwt, maar de bewijslast ligt bij u. Als later een geschil ontstaat, moet u kunnen aantonen dát u heeft gewaarschuwd. Doe dat daarom altijd schriftelijk: per e-mail, in bouwvergaderverslagen of in een brief. Een vage opmerking volstaat niet. Geef aan wat het probleem is, wat de mogelijke gevolgen zijn en wat u van de opdrachtgever verwacht.

Tijdig. Wacht niet tot halverwege de bouw als u een fout al bij het doornemen van de stukken had gezien. Hoe later u waarschuwt, hoe groter de schade en hoe moeilijker uw positie.

Praktische tips

  • Neem bij de start van een project altijd de tijd om de tekeningen en het bestek kritisch door te lezen. Maak dit een vaste stap in uw werkproces.
  • Leg tegenstrijdigheden of onduidelijkheden schriftelijk voor aan de opdrachtgever of de architect, vóórdat u begint.
  • Twijfelt u of iets klopt in een ontwerp of berekening? Raadpleeg een constructeur. Die kosten wegen niet op tegen een schadeclaim achteraf.
  • Bewaar alle e-mails, verslagen van bouwvergaderingen en overige correspondentie over het ontwerp zorgvuldig. Dit is uw bewijs als het later misgaat.
  • Probeer nooit achteraf uw verantwoordelijkheid te verschuiven naar de opdrachtgever als u tijdens de bouw al signalen zag dat er iets mis was. Dat pakt, zoals deze zaak laat zien, in de rechtszaal slecht uit.

Neem de aangeleverde tekeningen en het bestek altijd kritisch door, ook als de opdrachtgever verantwoordelijk is voor het ontwerp. Ziet u een fout die een vakman hoort te zien, waarschuw dan direct en schriftelijk. Doet u dat niet, dan kunt u volledig aansprakelijk worden gesteld: voor terugbetaling van de aanneemsom, de afbraakkosten en alle verdere schade.

Nieuwe regels Huurcommissie: wat verandert er?

De Tweede Kamer heeft op 21 april 2026 ingestemd met de wet Toekomstbestendige Huurcommissie. Als de Eerste Kamer ook akkoord gaat, treden de nieuwe regels mogelijk al op 1 juli 2026 in werking. Wat betekent dit voor u als verhuurder?

Neutrale scheidsrechter. De Huurcommissie is een onafhankelijke instantie die huurders en verhuurders helpt bij geschillen over de huurprijs, servicekosten en gebreken aan een woning. Lukt het partijen niet om er samen uit te komen, dan kan de Huurcommissie een uitspraak doen. Dat scheelt een dure rechtszaak.

De belangrijkste wijzigingen op een rij

De nieuwe wet brengt een aantal concrete veranderingen mee. De drie meest relevante voor verhuurders zijn:

  • Schriftelijke meldingsplicht bij gebreken. Huurders moeten gebreken voortaan eerst schriftelijk bij u melden voordat zij naar de Huurcommissie kunnen stappen. Mondelinge klachten zijn immers moeilijk te controleren. Zo weet de Huurcommissie precies wat er is gemeld en wanneer.
  • Langere verzettermijn. De termijn waarbinnen partijen in verzet kunnen gaan tegen een uitspraak van de voorzitter van de Huurcommissie, wordt verlengd van drie naar zes weken. Huurders en verhuurders krijgen dus meer tijd om een beslissing te nemen, eventueel na overleg met een adviseur.
  • Pauzeknop voor de Huurcommissie. De Huurcommissie krijgt de mogelijkheid om de behandeling van een zaak tijdelijk te pauzeren, bijvoorbeeld als zij nog wacht op stukken van de Belastingdienst of van een van de partijen zelf. Dit maakt de procedure eerlijker en zorgvuldiger.

Wat betekent de schriftelijke meldingsplicht voor u? De nieuwe schriftelijke meldingsplicht klinkt als een extra eis, maar is in de praktijk ook gunstig voor verhuurders. Een huurder die mondeling klaagt maar vervolgens direct naar de Huurcommissie stapt zonder u schriftelijk op de hoogte te stellen, kan dat straks niet meer zomaar doen. De Huurcommissie neemt de zaak pas in behandeling als de huurder kan aantonen dat hij de klacht eerst bij u heeft gemeld.

Tip. Zorg dat u een huurder die mondeling klaagt altijd schriftelijk bevestigt wat er is besproken. Stuur een e-mail terug met een samenvatting van het gesprek en de afspraken die u heeft gemaakt. Zo heeft u ook uw eigen schriftelijk bewijs van het contact.

Wat verandert er voor huurders in de sociale sector?

Huurverhogingsbeding. Een belangrijke uitbreiding is dat huurders in de sociale sector voortaan ook een procedure kunnen starten over een huurverhoging die is gebaseerd op een zogenoemd ‘huurverhogingsbeding’. Dat is een afspraak in het huurcontract over de jaarlijkse huurverhoging, bijvoorbeeld een stijging van een bepaald percentage bovenop de inflatie. Huurders in de midden- en vrije sector konden dit al. Met de nieuwe wet gaat dit gelden voor alle sectoren.

Consequentie voor verhuurders. Controleer uw huurcontracten op huurverhogingsbedingen. Als daarin staat dat de huur jaarlijks mag worden verhoogd met een bepaald percentage, kan een huurder dit voortaan ook bij de Huurcommissie aanvechten. Let er dus op dat de afspraken in uw contracten duidelijk en juridisch houdbaar zijn.

Wanneer gaan de regels in?

Mogelijk 1 juli 2026. De Tweede Kamer heeft ingestemd met het wetsvoorstel. Nu is de Eerste Kamer aan zet. Als ook die akkoord gaat, kunnen de nieuwe regels op 1 juli 2026 in werking treden. Het is dus verstandig om u nú al voor te bereiden op de wijzigingen.

Praktische tips om u voor te bereiden

  • Pas uw werkwijze aan zodat u gebreken altijd schriftelijk bevestigt aan huurders, ook als zij mondeling klagen.
  • Controleer uw huurcontracten op huurverhogingsbedingen en check of deze juridisch correct zijn geformuleerd.
  • Informeer uzelf over de nieuwe verzettermijn van zes weken als u een uitspraak van de Huurcommissie verwacht: u heeft dan meer tijd om te reageren.
  • Houd uw administratie op orde. De Huurcommissie kan de behandeling pauzeren als stukken ontbreken. Zorg dat u altijd snel de gevraagde documenten kunt aanleveren.

Bereid u nu al voor op de nieuwe regels. Zorg dat gebreken door huurders altijd schriftelijk worden gemeld en bevestigd en controleer of uw huurcontracten correct zijn opgesteld. Zo staat u sterker als een huurder naar de Huurcommissie stapt en voorkomt u verrassingen.

Pensioen-BV opheffen? Pas op voor fiscale val

Pensioen in eigen beheer

Vroeger heel gebruikelijk. Tot 1 april 2017 was het voor veel dga’s mogelijk om pensioen op te bouwen in de eigen BV. De BV reserveerde dan jaarlijks een bedrag voor het toekomstige pensioen van de dga. Dit werd ‘pensioen in eigen beheer’ genoemd. Veel dga’s hebben dit pensioen in eigen beheer ondergebracht in een aparte pensioen-BV.

Uitfasering per 2017. Sinds 1 april 2017 is het niet meer mogelijk om nieuw pensioen in eigen beheer op te bouwen. Voor bestaande pensioenaanspraken gold overgangsrecht. Dga’s die al pensioen in eigen beheer hadden opgebouwd, konden kiezen uit drie opties:

  • afkopen van het pensioen (met korting op de belasting);
  • omzetten in een oudedagsverplichting (ODV);
  • het pensioen ‘bevriezen’ en in eigen beheer houden.

De eerste twee opties moesten vóór 1 januari 2020 worden benut. Wie destijds niets heeft gedaan, heeft het pensioen dus bevroren in de eigen BV of in de pensioen-BV. En daar zit nu het probleem.

De pensioen-BV opheffen?

Aantrekkelijk idee, maar gevaarlijk. Een veel gestelde vraag is of een dga met een bevroren pensioen in een pensioen-BV, deze BV kan opheffen en het opgebouwde pensioenkapitaal mag overhevelen naar een lijfrenteproduct bij een verzekeraar of bank. Op die manier zou de dga het beheer van het pensioenkapitaal kunnen vereenvoudigen. Dat lijkt een logische en handige stap, maar dat is het fiscaal gezien niet.

Het antwoord van de Belastingdienst. Het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen van de Belastingdienst heeft in het recente vraag-en-antwoorddocument V&A 26-001 (gepubliceerd op 13 maart 2026) duidelijk gemaakt: een in eigen beheer gehouden pensioenaanspraak kan niet zonder fiscale gevolgen worden aangewend ter verkrijging van een lijfrenteproduct.

Wat zijn de fiscale gevolgen?

Afkoop van het pensioen. Als u de pensioenaanspraak in de BV omzet naar een lijfrenteproduct, beschouwt de Belastingdienst dit als een afkoop van het pensioen. En afkoop van pensioen heeft grote fiscale gevolgen.

Loonheffing over de volledige waarde. Op het moment van de omzetting wordt de volledige waarde van de pensioenaanspraak aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking. Dit betekent dat over de hele waarde van de pensioenaanspraak loonheffing is verschuldigd. Afhankelijk van de hoogte van het bedrag kan dit oplopen tot het toptarief in de inkomstenbelasting van 49,5%.

Revisierente van maximaal 20%. Bovenop de loonheffing is ook revisierente verschuldigd. Dit is een extra heffing van maximaal 20% van de waarde van de pensioenaanspraak. De revisierente is een boete die de Belastingdienst oplegt als pensioen of lijfrente niet op de juiste manier wordt afgewikkeld.

Geen aftrek als lijfrentepremie. Daar komt nog bij dat de overgehevelde waarde niet als lijfrentepremie in aftrek kan worden gebracht in de inkomstenbelasting. Er is geen speciale overgangsbepaling die dit mogelijk maakt, anders dan bij de omzetting naar een oudedagsverplichting destijds.

Pensioen in eigen beheer houden

Het is dus raadzaam om het pensioen gewoon in de pensioen-BV te laten staan en op de pensioendatum vanuit de BV periodieke uitkeringen te ontvangen. Die uitkeringen worden dan belast als loon, maar zonder de extra heffing van de revisierente.

Aandacht voor de balanswaarde. Zorg er wel voor dat de pensioen-BV voldoende vermogen heeft om de pensioenverplichting na te komen. De fiscale waarde van de pensioenverplichting op de balans is door de wet bevroren op de waarde per 31 december 2016. De commerciële waarde (de werkelijke waarde) is vaak veel hoger, zeker als de rente laag is geweest. Als de BV onvoldoende middelen heeft, kan dat tot problemen leiden.

Tip. Controleer jaarlijks of de pensioen-BV nog voldoende liquiditeit heeft en of er geen onnodige uitkeringen worden gedaan die ten koste gaan van het pensioenkapitaal.

Heeft u nog een bevroren pensioenaanspraak in een pensioen-BV staan, zet deze dan nooit zomaar om naar een lijfrenteproduct. De Belastingdienst ziet dit namelijk als een afkoop van het pensioen. Laat de pensioen-BV uitkeren op de pensioendatum, zodat de uitkeringen gewoon als loon worden belast en u geen onnodige extra heffingen betaalt.

Woningbouw versneld: wat betekent dit voor u?

Het kabinet zet vol in op het versnellen van de woningbouw. Met honderden miljoenen aan investeringen, nieuwe regels en een forse inzet op fabrieksmatige bouw wil de overheid jaren tijdswinst boeken. Wat verandert er concreet voor projectontwikkelaars, bouwondernemers en makelaars?

Taskforce Versnelling Woningbouw. Op 20 april 2026 heeft minister Boekholt-O’Sullivan van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening de eerste resultaten bekendgemaakt van de Taskforce Versnelling Woningbouw. Zes vakministers werken hierin samen aan één doel: de woningbouw sneller, goedkoper en op grotere schaal mogelijk maken.

De ambitie is groot. De bouw van een woning duurt nu gemiddeld tien jaar, van planontwikkeling tot oplevering. Het kabinet wil die doorlooptijd flink terugdringen en zet daarvoor concrete stappen op meerdere fronten tegelijk.

Vergunningverlening versnellen

Doorlooptijd gehalveerd. Een van de grootste vertragingen in het bouwproces zit in het ontwerp- en vergunningentraject. Dat duurt nu gemiddeld acht jaar. Door innovatie, digitalisering en standaardisatie wil het kabinet deze periode halveren naar vier jaar. Hiervoor is € 90 miljoen beschikbaar gesteld.

Meer uitvoeringskracht bij gemeenten. Gemeenten en provincies kampen vaak met capaciteitstekorten bij de behandeling van vergunningaanvragen. Het kabinet stelt daarom voor de komende vier jaar € 156 miljoen beschikbaar om de uitvoeringskracht van deze overheden te versterken. Dit moet minder vertraging door onderbezetting en betere begeleiding van projecten opleveren.

Tip. Als u een bouwproject plant, is het verstandig om vroegtijdig contact op te nemen met de gemeente. Met de extra middelen die gemeenten ontvangen, kan de samenwerking in de voorfase beter worden georganiseerd. Vraag actief naar de lokale prioriteiten en beschikbare capaciteit.

Meer grootschalige woningbouwgebieden. Het aantal grootschalige woningbouwgebieden wordt uitgebreid van 21 naar 30. In deze gebieden heeft woningbouw voorrang. Na de zomer van 2026 volgt een actieplan met verdere maatregelen, waaronder de aanwijzing van nieuwe nationaal grootschalige woningbouwlocaties.

Fabrieksmatige bouw

Minimaal de helft fabrieksmatig. Het kabinet heeft een duidelijk doel gesteld: binnen vier jaar moet minimaal de helft van alle nieuwbouwwoningen fabrieksmatig worden gebouwd, bij voorkeur in Nederlandse fabrieken. Woningen worden in de fabriek voorgefabriceerd, vervolgens in delen naar de bouwlocatie vervoerd en in enkele dagen afgemonteerd.

Voordelen voor bouwondernemers. Industriële bouw biedt meerdere voordelen: u bent minder afhankelijk van schaarse arbeidskracht, de bouwtijd op locatie is aanzienlijk korter, de kwaliteit is voorspelbaarder en de kosten liggen lager. Bovendien zijn fabrieksmatig gebouwde woningen vaak duurzamer, wat steeds vaker een vereiste is bij projectontwikkeling.

Vergunning voor technische eisen vervalt. Dit is een ingrijpende wijziging voor de praktijk. Voor volledig gecertificeerde fabrieksmatige woningen is straks geen vergunning voor de technische eisen meer nodig. Het kabinet voert hiervoor wijzigingen door in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Dit betekent dat woningen vooraf gecertificeerd kunnen worden en achteraf niet meer op technische kwaliteit getoetst hoeven te worden.

Tip. Oriënteer u tijdig op de mogelijkheden van industriële bouw en welke certificeringstrajecten hiervoor beschikbaar zijn. Indien u als projectontwikkelaar of bouwondernemer samenwerkt met een gecertificeerde fabrikant, kunt u straks aanzienlijk sneller en met minder administratieve rompslomp bouwen.

Bestaande gebouwen beter benutten

15.000 woningen per jaar erbij. Naast nieuwbouw ligt er ook een grote kans in de bestaande bouw. Door optoppen (een extra verdieping plaatsen), ombouwen, splitsen en woningdelen kunnen jaarlijks 15.000 extra woningen worden toegevoegd. Het kabinet stelt hiervoor € 41 miljoen beschikbaar en wil overbodige regelgeving schrappen die dit soort transformaties nu nog belemmert.

Minder regeldruk. Het Rijk wil wettelijke belemmeringen wegnemen die transformatie van bestaand vastgoed in de weg staan. De vraag naar transformatieprojecten zal toenemen nu de overheid actief stimuleert en belemmeringen wegneemt.

Middenhuur: verbeterd investeringsklimaat

Overdrachtsbelasting omlaag voor verhuurders. Om de bouw en het behoud van middenhuurwoningen te stimuleren, verlaagt het kabinet de overdrachtsbelasting voor verhuurders. Dit maakt het aantrekkelijker om te investeren in huurwoningen in het middenhuursegment.

Aanpassing Wet betaalbare huur. Het kabinet past de Wet betaalbare huur aan. Onder meer de nieuwbouwopslag wordt verlengd, wat het voor ontwikkelaars interessanter maakt om nieuwe huurwoningen te bouwen in het middensegment.

Corporaties op lange termijn. Ook de financiële positie van woningcorporaties staat op de agenda. Het kabinet verlaagt de vennootschapsbelasting voor corporaties, zodat zij ook na 2035 kunnen blijven bouwen en verduurzamen.

De overheid zet de deur open voor snellere en goedkopere woningbouw. Profiteer hiervan door nu al te onderzoeken of fabrieksmatige bouw past binnen uw projecten, door vroegtijdig contact te zoeken met gemeenten over de beschikbare capaciteit voor vergunningverlening en door uw blik te richten op transformatie van bestaand vastgoed.


Wilhelminalaan 1, 1441 EK Purmerend
Tel: 0299-767002 / E-mail: info@partnersinadministraties.nl